Von Pannwitz

NK 2554 (foto: RCE)

Advies inzake Von Pannwitz

Dossiernummer: 
1.80
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
6 april 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 7 mei 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van 30 maart 2007 van G.P. te B.A., Argentinië (hierna: verzoekster) tot teruggave van zes schilderijen uit de Nederlands Kunstbezitcollectie (NK-collectie). Verzoekster wordt vertegenwoordigd door haar advocaat L. Fremy te Berlijn. Het verzoek betreft de volgende werken:
Man met baard en tulband, navolger van Rembrandt van Rijn (NK 1602);
St Werner, Meester van Messkirch (NK 1633);
Madonna met Christuskind en Johannes de Doper, L. Cranach (NK 1883);
De heilige Barbara (NK 2554) en De heilige Catharina van Alexandrië (NK 2555), Meester van Frankfurt;
Geboorte van Maria, H.S. von Kulmbach (NK 2559).

Het schilderij NK 1602 bevindt zich momenteel in depot van het Instituut Collectie Nederland te Rijswijk, de schilderijen NK 1633 en NK 1883 bevinden zich in het Bonnefantenmuseum te Maastricht en de schilderijen NK 2554, NK 2555 en NK 2559 in het Mauritshuis te Den Haag.

DE PROCEDURE

Verzoekster heeft onderzoek laten verrichten naar de geschiedenis van de schilderijen, die afkomstig zijn uit het voormalig bezit van haar grootmoeder Catalina Carolina Friedericke Georgine Roth, weduwe van Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz. Op basis van dit onderzoek heeft verzoekster besloten een restitutieverzoek in te dienen bij de minister.
Naar aanleiding van de adviesaanvraag heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 8 september 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 29 september 2008 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Diezelfde dag is het conceptonderzoeksrapport voor commentaar toegestuurd aan verzoekster, waarop zij bij brief van 7 november 2008 heeft gereageerd. Het onderzoeksrapport is vervolgens aangepast en vastgesteld op 6 april 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoekster vraagt teruggave van zes schilderijen uit het voormalig bezit van haar grootmoeder in hoedanigheid van erfgename. Verzoekster is de dochter van Ursula von Pannwitz, die enig kind was van Catalina Carolina Friedericke Georgine Roth (1876-1959) en Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz (1856-1920). In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken, die geen aanleiding geven te twijfelen aan de erfrechtelijke status van verzoekster.

    2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 6 april 2009 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Catalina Carolina Friedericke Georgine Roth werd in 1876 te Rostock, Duitsland, geboren. Ze was van joodse afkomst. Haar familie bezat omvangrijke landgoederen in Argentinië. In 1908 trouwde zij met Walter Sigismund Emil Adolf von Pannwitz, een Duits advocaat van aristocratische huize. In 1919 verkreeg ze de Argentijnse nationaliteit. Het echtpaar legde een grote kunstverzameling aan van onder meer Italiaanse, Franse, Duitse en Nederlandse schilderkunst uit de 15e tot 17e eeuw, brons en keramiek. Na de dood van haar echtgenoot in 1920, vestigde Catalina Von Pannwitz-Roth (hierna: Von Pannwitz) zich op het landgoed ‘De Hartekamp’ te Heemstede in Nederland.

    3. Ruim vijf maanden na de inval van de Duitsers in Nederland, op 18 oktober 1940, verkocht Von Pannwitz in ruil voor een som geld en een uitreisvisum voor Zwitserland de zes thans geclaimde schilderijen aan rijksmaarschalk Hermann Goering, na bemiddeling van diens kunstinkoper Walter Andreas Hofer. De koopsom bedroeg NLG 390.000,-, een prijs die destijds als hoog werd beschouwd. De commissie heeft kennis genomen van verschillende documenten met betrekking tot deze transactie. Daaruit blijkt dat de koopsom op rekening van Von Pannwitz werd gestort bij de Handel-Maatschappij H. Albert de Bary & Co N.V. (hierna: De Bary) te Amsterdam. Von Pannwitz kreeg toestemming om bij haar emigratie circa 15.000 Zwitserse francs uit te voeren (circa NLG 6.500,-). Uit het onderzoek blijkt dat het landgoed ‘De Hartekamp’ tijdens de oorlog onder bescherming stond van Goering en ongemoeid is gelaten. Ook de kunstcollectie van Von Pannwitz, die bij haar vertrek werd overgebracht naar het Rijksmuseum te Amsterdam, is ongeschonden gebleven.

    4. Op 12 september 1945 heeft Von Pannwitz bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangifte gedaan van de verkoop van de zes schilderijen aan Goering. Zij tekende op de aangifteformulieren aan dat er sprake was geweest van een gedwongen verkoop. In de begeleidende brief schreef zij: ‘Hierdoor deel ik U mede, dat in October 1940 de navolgende schilderyen uit myne verzameling, op aanvrage en door bemiddeling van den Heer Walter Andreas Hofer, aan Ryksmaarschalk Hermann Göring werden verkocht en naar Duitschland uitgevoerd.’ In de brief volgde een opsomming van de schilderijen, waarbij van vijf van de zes werken een foto werd overgelegd. Daarnaast meldde Von Pannwitz dat zij hoopte dat ‘het zal mogen gelukken deze schilderyen op te sporen en weder naar Nederland terug te brengen.

    5. Op 19 november 1949 stelde de SNK Von Pannwitz schriftelijk op de hoogte van de recuperatie van de werken. Uit de stukken blijkt dat de SNK de schilderijen op dat moment taxeerde op NLG 130.000,-. In de brief werd opgemerkt dat van de directeur van het Rijksmuseum te Amsterdam was vernomen dat Von Pannwitz geen prijs stelde op teruggave. Von Pannwitz werd verzocht dit te bevestigen. Na een rappel van 23 maart 1950, stuurde de secretaris van Von Pannwitz bij brief van 27 april 1950 een door Von Pannwitz getekende verklaring aan de SNK met de volgende inhoud:

      ‘De ondergeteekende verklaart hiermede, dat zy op teruggave van de uit Duitschland teruggevoerde en tot hare verzameling behoord hebbende schilderijen:
      Meester van Frankfurt……… H. Barbara,
      do. ………. H. Catharina,
      Hans von Kulmbach………….Geboorte van Maria,
      Lucas von Cranach…..……….Madonna met H.Johannes,
      Rembrandt…………………… Borstbeeld van een man,
      Meister von Messkirch……… H.Werner,
      (…)
      geen prys stelt, zoodat Uwe Stichting daarover vryelyk kan beschikken.’

      In het SNK-dossier is geen verdere correspondentie tussen de SNK en Von Pannwitz aangetroffen. Ook bij het onderzoek in de archieven van het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) en de Raad voor het Rechtsherstel is geen documentatie aangetroffen die betrekking heeft op de geclaimde werken. De commissie concludeert dan ook dat Von Pannwitz later niet op haar standpunt is teruggekomen.

    6. Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar claim gesteld dat op basis van het Nederlandse oorlogsrecht (het Besluit Rechtsverkeer in Oorlogstijd) verkopen aan de Duitsers nietig waren, als gevolg waarvan Von Pannwitz de eigendom van de werken niet zou hebben verloren. Onder verwijzing naar artikel 2, vierde lid, van het Instellingsbesluit van 16 november 2001, overweegt de commissie echter dat niet het naoorlogse recht, maar het door de regering afgekondigde restitutiebeleid het beslissingskader vormt bij de beoordeling van restitutieclaims. Daarnaast merkt de commissie op dat de interpretatie van verzoekster van genoemde regels incorrect is: ten aanzien van recuperatiegoederen is na de oorlog de nietigheid van transacties met de Duitsers opgeheven en heeft de Nederlandse staat de eigendom verworven van goederen die tijdens de oorlog, in strijd met het verbod op transacties met de vijand, waren verkocht. Wel kon de oorspronkelijke eigenaar destijds op basis van het Besluit Herstel Rechtsverkeer E100 van 21 september 1944 tot begin jaren vijftig bij de Afdeling Rechtspraak aanspraak maken op herstel van zijn eigendomsrechten.

    7. Uit het hiervoor beschreven onderzoek is echter gebleken dat Von Pannwitz na de oorlog geen aanspraak heeft gemaakt op rechtsherstel. Met haar verklaring van april 1950, zoals geciteerd in alinea 5, heeft zij, naar het oordeel van de commissie, expliciet afgezien van haar vorderingsrechten. De verklaring laat geen ruimte voor twijfel: Von Pannwitz stelde ‘geen prijs op teruggave’ van de zes schilderijen en de SNK mocht er ‘vrijelijk over beschikken’. De verklaring is zonder enig voorbehoud gemaakt en Von Pannwitz is er in later jaren niet op teruggekomen.

    8. De vraag is daarmee of verzoekster in deze zaak ontvankelijk kan worden geacht. Uitgangspunt van het restitutiebeleid is dat rechtsherstel van na de oorlog niet wordt overgedaan. Dit betekent dat afgehandelde zaken in beginsel niet worden heropend. Deze regel geldt ook indien de claim kunstwerken betreft die tijdens de oorlog gedwongen werden verkocht. De regering heeft besloten dat van een afgehandelde zaak in ieder geval sprake is indien ‘claimant expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien’ (Regeringsreactie van 29 juni 2001 op de Aanbevelingen van de Commissie Ekkart, TK 2000-2001, 25 839, nr. 26). Alleen wanneer er sprake is van nieuwe feiten of inzichten (nova) heeft de commissie ruimte de zaak opnieuw te beoordelen.

    9. Verzoekster heeft in dit verband in reactie op het conceptonderzoeksrapport aangevoerd dat de verklaring van Von Pannwitz van 1950 gezien moet worden in het licht van het toenmalige beleid van de SNK dat bij teruggave van verkochte werken de destijds ontvangen koopprijs en bijkomende kosten zouden moeten worden terugbetaald. Volgens verzoekster was Von Pannwitz daartoe in 1950 financieel niet in staat. In dat kader betoogt verzoekster dat de koopsom weliswaar op de rekening van Von Pannwitz is bijgeschreven tijdens de oorlog, maar dat onbekend is wat met de bankrekening is gebeurd, en dat verondersteld moet worden dat Von Pannwitz dit geld niet of slechts gedeeltelijk heeft kunnen meenemen naar Zwitserland en in ieder geval niet ter vrije beschikking heeft gekregen. Uit de aangifte bij de SNK d.d. 12 september 1945 (zie alinea 4) zou volgens verzoekster afgeleid moeten worden dat Von Pannwitz wel degelijk prijs stelde op teruggave van de schilderijen en op herstel van haar eigendomsrechten. Verzoekster heeft geen documentatie overgelegd om deze stellingen te ondersteunen.

    10. De commissie deelt de zienswijze van verzoekster niet. Met betrekking tot de betekenis die aan de aangifte van 1945 moet worden gehecht, wijst de commissie erop dat op basis van een naoorlogse verordening van het militair gezag een aangifteplicht bestond voor een ieder die gedurende de bezetting kunstwerken had verkocht aan de Duitsers. Oogmerk daarvan was dat de Nederlandse autoriteiten zicht kregen op de verdwenen kunstschatten en met behulp van de aangiften de opsporing en terugvoering van de werken zouden kunnen bespoedigen. Met de aangifte van 12 september 1945 voldeed Von Pannwitz aan deze juridische verplichting. Een aanspraak op teruggave kan daaruit niet worden afgeleid. Daarnaast merkt de commissie op dat ook de bewoordingen van de begeleidende brief, zoals geciteerd onder alinea 4, niet in die richting duiden.

    11. Ook de overige stellingen van verzoekster hebben de commissie niet kunnen overtuigen. De commissie wijst erop dat Von Pannwitz zelf nooit heeft aangegeven dat haar financiële positie de reden was om van een teruggaveverzoek af te zien. Aanvullend onderzoek in de archieven van het NBI met betrekking tot Von Pannwitz en handelsbank De Bary heeft ook geen aanwijzingen opgeleverd dat Von Pannwitz de koopsom niet zou hebben ontvangen of niet ter vrije besteding zou hebben gekregen. Verder is niet gebleken dat Von Pannwitz in 1950 niet over voldoende middelen zou hebben beschikt om de schilderijen terug te kopen. De koopsom voor de schilderijen werd op haar reguliere rekening bij De Bary gestort en er zijn geen aanwijzingen dat Von Pannwitz te maken heeft gekregen met blokkering en confiscatie van tegoeden, zoals de Nederlandse joden tijdens de bezetting. Vanwege de neutraliteit van Argentinië genoten Argentijnse onderdanen, ook indien zij joods waren, bescherming tegen dergelijke maatregelen.

      De commissie erkent de mogelijkheid dat Von Pannwitz gedurende de oorlog feitelijk niet over haar tegoeden in Nederland kon beschikken vanwege beperkingen in het internationale betalingsverkeer. Dit zou ook kunnen verklaren waarom Von Pannwitz slechts toestemming kreeg een beperkte hoeveelheid Zwitsers geld uit te voeren. Er is echter geen reden aan te nemen dat Von Pannwitz niet over haar tegoeden bij De Bary kon beschikken op het moment dat zij besloot de werken niet te claimen. Blijkens bewaard gebleven documentatie van het NBI werd zij door de Nederlandse autoriteiten niet als vijandelijk onderdaan beschouwd nu zij reeds in 1919 haar Duitse nationaliteit had verloren, en waren haar rekeningen na de oorlog niet geblokkeerd. Uit een bewaard gebleven brief van De Bary van januari 1956 aan het Ministerie van Financiën kan worden afgeleid dat Von Pannwitz na de oorlog vermogensaanwasbelasting heeft moeten betalen en derhalve gedurende de oorlog vermogenstoename heeft genoten, en voorts dat zij na de oorlog nog over een aanzienlijk vermogen beschikte. De commissie acht derhalve niet aannemelijk dat haar beslissing om af te zien van aanspraken op de werken voortvloeide uit financiële nood.

    12. Nu er verder ook geen sprake is geweest van een onzorgvuldige naoorlogse procedure, acht de commissie op basis van het onderzoek geen nova aanwezig die tot heropening van de zaak zouden moeten leiden.

    CONCLUSIE

      De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek tot teruggave van de werken geregistreerd onder inventarisnummers NK 1602, NK 1633, NK 1883, NK 2554, NK 2555 en NK 2559 af te wijzen.

      Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 april 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies, ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

      (W.J.M. Davids, voorzitter)    (E. Campfens, secretaris)