Schönemann

NK 2366 (foto: RCE)

Advies inzake Schönemann

Dossiernummer: 
1.81
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 oktober 2009
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel

Bij brief van 14 mei 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake een verzoek van A.W.M. (hierna: verzoeker) van 3 april 2007 tot teruggave van drie kunstwerken uit de collectie Nederlands Kunstbezit (NK-collectie). De werken zouden volgens verzoeker gedurende de bezetting onvrijwillig uit het bezit zijn geraakt van de kunsthandel van zijn stiefvader, Moritz Schönemann. Verzoeker wordt vertegenwoordigd door Imke Gielen, advocate te Berlijn.
Het verzoek betreft De aartsengel Michael en de Heilige Laurentius (NK 2082) van een anonieme kunstenaar, Landschap met vechtende paarden en vogels (NK 2085) van R.J. Savery en Saluutschot bij zonsondergang: schepen in kalm water (NK 2366) van W. van de Velde II. Het schilderij NK 2082 bevindt zich in bruikleen bij het Bonnefantenmuseum te Maastricht, het schilderij NK 2085 is in bruikleen bij Kasteel Doorwerth en het werk NK 2366 bevindt zich in depot van het Instituut Collectie Nederland. Laatstgenoemd werk werd tevens geclaimd in een ander restitutieverzoek (RC 1.90A). Op 31 augustus 2009 heeft de minister dat verzoek conform het advies van de commissie afgewezen.

DE PROCEDURE

Verzoeker heeft bij het restitutieverzoek een onderzoeksrapport van 29 maart 2007 van historica Marina Blumberg te Berlijn gevoegd en, op verzoek van de commissie, bij brieven van 1 augustus 2008 en 29 oktober 2008 aanvullende informatie verstrekt met betrekking tot de eigendom en het bezitsverlies van de geclaimde kunstwerken. De commissie heeft een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 24 november 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 19 december 2008 voor commentaar toegezonden aan verzoeker, waarbij hem is verzocht meer informatie te verstrekken met betrekking tot de eigendom en het bezitsverlies van de werken. Daarbij is aangegeven welke archieven nog geraadpleegd zouden kunnen worden. Bij brief van 19 december 2008 is het conceptonderzoeksrapport voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Op 28 januari 2009 heeft het ministerie laten weten geen aanvullend feitelijk materiaal onder de aandacht van de commissie te zullen brengen. Verzoeker heeft bij brief van 30 maart 2009 op het conceptonderzoeksrapport gereageerd. De commissie heeft verzoeker bij brief van 4 mei 2009 opnieuw om meer informatie gevraagd met betrekking tot de eigendom van de geclaimde werken. Bij brieven van 22 mei en 8 juli 2009 heeft verzoeker de commissie vervolgens enkele nadere onderzoeksgegevens verstrekt. Het onderzoeksrapport is daarop vastgesteld op 12 oktober 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar haar onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoeker vraagt teruggave van drie schilderijen uit de NK-collectie in hoedanigheid van erfgenaam van zijn stiefvader Moritz Schönemann (1883-1969), wiens kunsthandel volgens verzoeker de werken onvrijwillig heeft verloren als gevolg van het naziregime. Verzoeker is de zoon uit het eerste huwelijk van Charlotte Schönemann (1896-2005), de tweede echtgenote van Moritz Schönemann. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele door verzoeker toegezonden stukken, naar aanleiding waarvan de commissie geen reden heeft gezien te twijfelen aan de status van verzoeker.

    2. De relevante feiten zijn beschreven in het onderzoeksrapport van 12 oktober 2009. Hier volgt een samenvatting. Moritz Schönemann werd op 7 april 1883 te Burgpreppach in Duitsland geboren. Hij was van joodse afkomst en had de Duitse nationaliteit. Hij dreef in Berlijn een kunsthandel aan de Kurfürstendamm. Schönemann had ten minste drie broers, Ferdinand, Josef en Martin. Ferdinand bezat een tapijtenhandel, Josef en Martin waren evenals hun broer Moritz kunsthandelaren. Na de machtsovername door de nazi’s in Duitsland werd Moritz Schönemann in 1935 door de Reichskulturkammer gedwongen zijn kunsthandel op te heffen. Hij week in september 1936 met zijn eerste echtgenote uit naar Nederland, waar hij per 1 oktober 1936 een nieuwe kunsthandel oprichtte aan de Minervalaan 57 II te Amsterdam. De kunsthandel handelde blijkens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel onder de naam ‘M. Schönemann’ en vormde een ‘Kunsthandel, Agentuur en Commissiehandel in Kunstvoorwerpen’.

    3. Tijdens de bezetting van Nederland bevond Moritz Schönemann zich in Frankrijk, zo blijkt uit een verklaring die hij in juli 1954 heeft afgelegd. Volgens verzoeker waren Moritz Schönemann en zijn echtgenote in 1939 op reis in Frankrijk, waar zij verrast werden door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Moritz Schönemann en zijn vrouw hebben vervolgens tot mei 1941 in verschillende kampen in Frankrijk vastgezeten. Het echtpaar is daarna in Frankrijk of Monaco ondergedoken en heeft de oorlog overleefd. Het is onbekend of de kunsthandel M. Schönemann tijdens de oorlog in Nederland handelsactiviteiten heeft ontplooid. Evenmin is komen vast te staan of er nog handelsvoorraden aanwezig waren op het moment van de Duitse bezetting van Nederland. In de archieven zijn geen aanwijzingen gevonden dat de kunsthandel onder beheer van een door de Duitsers aangestelde Verwalter heeft gestaan. Uit documenten van de Kamer van Koophandel blijkt dat de kunsthandel M. Schönemann op 8 februari 1943 ambtshalve is opgeheven.

    4. Martin Schönemann, een broer van Moritz, bevond zich eind jaren dertig in Amsterdam, waar hij met een handelspartner sinds maart 1938 een kunsthandel aan de Stadionweg dreef onder de naam ‘Firma Herman Rotschild & Co’. Op 27 augustus 1940 is deze kunsthandel door Martin opgeheven. De commissie acht op grond van bewaard gebleven documentatie van het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aannemelijk dat Martin Schönemann in de zomer/herfst van 1940 zelf nog handelde in kunst. Martin Schönemann beschikte sinds eind 1938 over een Panamees paspoort en vertrok in oktober 1940 naar Zwitserland. Verder dreef ook Josef Schönemann, eveneens een broer van Moritz, in de jaren dertig een kunsthandel te Amsterdam in de vorm van een naamloze vennootschap onder de naam ‘Heraldus NV’. Uit het onderzoek is gebleken dat Josef Schönemann rond 1937 naar de Verenigde Staten is geëmigreerd. In oktober 1940 werd de kunsthandel Heraldus NV opgeheven.

    5. Moritz Schönemann heeft in 1961 via zijn advocaat bij het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) geïnformeerd naar kunstvoorwerpen, tapijten en gobelins, die de Duitse autoriteiten op zijn adres in beslag zouden hebben genomen. Daarbij werd echter niet gespecificeerd welke voorwerpen vermist waren. Het NBI verwees de advocaat door naar een voorloper van het NIOD, in verband met het zich daar bevindende archiefmateriaal van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR), een tijdens de bezetting opererende roofinstantie. Verdere correspondentie is niet aangetroffen. Onderzoek van de commissie in het archief van de ERR heeft niets opgeleverd.

    6. Bij het herkomstonderzoek naar de geclaimde werken zijn in het Bundesarchiv Koblenz enige stukken aangetroffen die inzicht geven in de periode waarin de geclaimde werken zijn verhandeld, de persoon van de koper en de hoogte van de koopsom. Zo bevindt zich in het archief een overzicht van na de oorlog naar Nederland gerecupereerde werken, waarin de thans geclaimde werken worden genoemd. Over de herkomst van de werken NK 2082 en NK 2085 staat vermeld: ‘1940 von Schönemann an / Dienststelle Dr. Mühlmann’ (bij NK 2085 met tussenvoeging: ‘für hfl. 3.850,’). Over het schilderij NK 2366 wordt vermeld: ‘von Schönemann an Dr. / Plietzsch, den Haag / 17.12.1942 von dort für / RM 40.000,- an A. Neuerburg, / Hamburg’. Uit de zogeheten Property Cards uit hetzelfde archief voor NK 2082 en NK 2366 is af te leiden dat het om een Schönemann uit Amsterdam ging, terwijl bij de kaart van NK 2366 ook is vermeld dat het werk afkomstig was van een ‘art dealer Schönemann’ uit Amsterdam. Bij deze vermeldingen van de naam ‘Schönemann’ is geen voorletter genoteerd.

    7. De geclaimde werken worden eveneens genoemd in door verzoeker overgelegde correspondentie tussen de Wiedergutmachungskammer van het Landgericht Berlin en de Oberfinanzdirektion München uit de jaren zestig, betreffende eigendom van Martin Schönemann en zijn echtgenote. De drie werken zouden volgens de Oberfinanzdirektion München niet aan het echtpaar hebben toebehoord, maar aan ‘einer Kunsthandlung Schönemann in Amsterdam’. Daarbij meldde de instantie: ‘Die Kunsthandlung Schönemann verkaufte sie 1940 und 1942 über eine deutsche Dienststelle in Den Haag nach Deutschland.’ Hiermee wordt vermoedelijk de Dienststelle Mühlmann bedoeld, zoals vermeld in het recuperatieoverzicht (overweging 6).

    8. Verder is informatie over de werken aangetroffen in het archief van de SNK. In het archief bevinden zich interne aangifteformulieren, opgemaakt door de SNK zelf. Hierop is genoteerd dat de werken oorspronkelijk in bezit waren geweest van ‘Schönemann’, terwijl bij de werken NK 2082 en NK 2366 ook de plaatsnaam Amsterdam is vermeld. Bij alle drie werken is aangegeven dat er sprake was geweest van vrijwillige verkoop. In het archief zijn geen aanwijzingen gevonden dat Moritz Schönemann na de oorlog bij de SNK aangifte heeft gedaan van verlies van de thans geclaimde werken. Het archief bevat evenmin aangiften van Martin of Josef Schönemann met betrekking tot de geclaimde werken.

    9. Blijkens het Instellingsbesluit van 16 november 2001 heeft de commissie tot taak de minister te adviseren over beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren. De commissie kan alleen tot teruggave adviseren indien ‘het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken.’ De commissie verwijst naar de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit, die ook op kunsthandelzaken van toepassing is en deel uitmaakt van het restitutiebeleid.

    10. De commissie is op basis van het onderzoek van oordeel dat onzeker is gebleven of de geclaimde schilderijen gedurende de bezetting door kunsthandel M. Schönemann (van Moritz) zijn verhandeld. Hoewel het onderzoek aannemelijk maakt dat een van (de kunsthandels van) de drie broers Schönemann de werken heeft verkocht aan medewerkers van de Dienststelle Mühlmann, is niet duidelijk geworden welke kunsthandel(aar) bij de transacties betrokken was. Anders dan Bureau Herkomst Gezocht heeft aangenomen, is uit het onderzoek niet gebleken dat de transacties werden verricht door een kunsthandel Schönemann met de voorletter ‘M’. De stelling van verzoekers dat Moritz Schönemann de enige broer was die handelde onder de naam ‘Schönemann’, zodat de documentatie met betrekking tot de verkopen uitsluitend op diens kunsthandel betrekking kan hebben, acht de commissie niet overtuigend. De ervaring is namelijk dat de handelsnamen en achternamen van kunsthandelaren in de documentatie van tijdens de oorlog en in naoorlogse archieven vaak door elkaar worden gebruikt. Anders dan verzoekers acht de commissie de kans gering dat de kunsthandel M. Schönemann betrokken was bij de transacties, aangezien Moritz zich op het moment van de transacties in Frankrijk bevond, terwijl niet aannemelijk is geworden dat de schilderijen door een ander uit zijn voorraad zijn verkocht.

    11. De commissie overweegt daarnaast het volgende. Zelfs al zou de kunsthandel M. Schönemann de werken hebben verkocht gedurende de bezetting, dan is nog geenszins duidelijk of de kunsthandel op dat moment ook eigenaar was van de werken. Zoals onder overweging 2 aangegeven, hield de kunsthandel zich immers ook bezig met commissiehandel, waarbij wordt bemiddeld voor aan anderen toebehorende werken. De herkomstgeschiedenis van de drie schilderijen is in dit opzicht verre van sluitend: zo is geen documentatie aangetroffen waaruit valt op te maken wanneer en van wie de kunsthandel M. Schönemann de werken zou hebben aangekocht. Verzoekers hebben in dit verband geen stukken over kunnen leggen waaruit de eigendom van de kunsthandel zou blijken, zoals veilinggegevens, aankoopbewijzen of administratie van voorraden. Het onderzoek van de commissie heeft evenmin relevante informatie opgeleverd.

    12. Gezien het voorgaande adviseert de commissie de minister het verzoek tot restitutie van de schilderijen NK 2082, NK 2085 en NK 2366 af te wijzen.

    CONCLUSIE

      De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek van A.W.M. tot teruggave van de schilderijen NK 2082, NK 2085 en NK 2366 af te wijzen.

      Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 oktober 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

      (W.J.M. Davids, voorzitter)      (E. Campfens, secretaris)