Rosenbaum (B)

De Heilige Familie met Johannes de Doper en de Heilige Catharina (foto RCE)

Advies inzake I. Rosenbaum NV

Dossiernummer: 
1.82-B
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
19 december 2011
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland
Bij brief van 21 mei 2007 verzocht de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van G.S. te N.Y.C. en J.L. te L.A. (hierna: verzoekers) tot restitutie van een aantal objecten die deel uitmaken van de NK-collectie in beheer van de Nederlandse Staat. Dit advies betreft dertien objecten:

een kruik van bruin geglazuurd steengoed, Duitsland (NK 180)
twee achthoekige porseleinen schotels, geglazuurd polychroom decor, boom met vogels bij brug, China (NK 181 A-B)
een schenkkannetje van wit geglazuurd aardewerk met tinnen montuur en deksel, Delft (NK 455)
twee dekselvazen van geglazuurd aardewerk en polychroom decor, florale motieven en papegaai op de deksel, Delft (NK 456 A-B)
twee notenhouten armstoelen in Chippendale-stijl, Engeland (NK 659A-B)
atelier van J.Palma il Vecchio, De Heilige Familie met Johannes de Doper en de Heilige Catharina (NK 1436)
N. Neufchatel (voormalige toeschrijving Sotte Cleve), Portret van een man (NK 1457)
I. van Ostade, Interieur van een stal met drie spelende kinderen (NK 1474)
D. Teniers II, Keukeninterieur met wild (NK 1845)
J. van Loo (voormalige toeschrijving aan A.Cuyp), Drie mannen in een wijnkelder (NK 2173)
Königliche Sächsische Porzellan-Manufaktur, Twee bonbonnières geflankeerd door negerin van geglazuurd porselein in polychroom decor (NK 2903 A-B)
Meester van de Cappella Medici Polyptiek, St. Nicolaas van Bari (NK 2915)
N. Maes, Portret van een man (NK 3269)

DE PROCEDURE

Verzoekers hebben bij brief van 28 maart 2007 aan de minister om teruggave verzocht van voormelde objecten uit de rijkscollectie die eigendom zouden zijn geweest van de naamloze vennootschap I. Rosenbaum NV te Amsterdam (hierna: ‘Rosenbaum’ of ‘kunsthandel Rosenbaum’). Bij brief van 30 maart 2007 deelden verzoekers mede dat het verzoek om teruggave mede werd gedaan namens S. Ltd., een kunsthandel te New York, als ‘successor company’ van de in 1947 geliquideerde kunsthandel Rosenbaum. Zij hebben hun verzoek nader toegelicht bij brieven van 14 november 2008, 30 maart 2009 en 20 september 2010 aan de commissie.
Het oorspronkelijke restitutieverzoek betrof meer werken. De minister heeft in zijn brief van 21 mei 2007 een drietal schilderijen die tot de claim behoorden van het adviesverzoek aan de commissie uitgezonderd omdat zij eerder in het kader van de zaak Goudstikker (RC 1.15) zijn teruggegeven en thans geen deel meer uitmaken van de rijkscollectie. Verzoekers hebben bij brief van 10 december 2009 hun verzoek met betrekking tot die schilderijen (NK 3260, NK 3270 en NK 3271) en met betrekking tot het schilderij NK 3122 ingetrokken.
Verzoekers hebben bij brief van 14 november 2008 hun verzoek aangevuld met een claim op een commode in regence-stijl (NK 256). De commissie heeft het verzoek betreffende dat object ondergebracht in een afzonderlijk dossier (Rosenberg, RC 1.105), waarover op 3 mei 2010 advies is uitgebracht. Hetzelfde deed zij met het verzoek tot teruggave van het schilderij Landschap met klassieke tempel van Hubert Robert (NK 1432) dat werd afgesplitst van onderhavig verzoek in verband met een concurrerende claim op dit werk (Mathiason, RC 1.108). Over het adviesverzoek inzake Rosenbaum ten aanzien van NK 1432 bracht zij op 31 januari 2011 advies uit (Rosenbaum, RC 1.82-A).
Met betrekking tot het adviesverzoek dat zich uitstrekt over de hierboven genoemde dertien objecten heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport dat op 10 mei 2010 (in eerste versie) en op 14 juni 2011 (tweede versie) door de commissie voor commentaar is toegezonden aan verzoekers en voor feitelijke aanvulling voorgelegd aan de staatssecretaris van OCW (hierna: de staatssecretaris). De staatsecretaris heeft laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Verzoekers hebben bij brief van 20 september 2010 commentaar gegeven op de eerste versie van het conceptrapport, waarbij zij onder meer zijn ingegaan op vragen over de positie van S.Ltd. als ‘successor company’ van Rosenbaum, en hebben geen commentaar gegeven op de tweede versie.
Gedurende de procedure heeft de commissie registeraccountant L.J.W.M van der Elst, voormalig partner bij Ernst & Young, als expert geraadpleegd. Zijn bevindingen zijn samengevat in een op 18 oktober 2011 uitgebracht rapport, dat aan verzoekers is toegezonden samen met een notitie 26 september 2011 van de commissie waarin aanvullende onderzoeksgegevens zijn opgesomd. Verzoekers hebben van de hen geboden gelegenheid om commentaar te geven op deze stukken geen gebruik gemaakt.
Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 19 december 2011. Verzoekers hebben zich in de onderhavige procedure laten vertegenwoordigen door Markus H. Stötzel, advocaat te Marburg (Duitsland).

OVERWEGINGEN

  1. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. De neven Rosenberg (Saemy en zijn broers Raphael en Siegfried) en Stiebel (Eric en Hans), allen van joodse afkomst, waren actief in de door hun grootvader Jacob Rosenbaum tussen 1860 en 1870 in Frankfurt opgerichte kunsthandel. Spoedig na Hitlers machtsgreep verlieten zij Duitsland. Saemy Rosenberg (hierna: Rosenberg) vestigde zich vermoedelijk al in april 1933 in Amsterdam, waar hij en zijn broers directeur werden van NV Internationale Antiquiteitenhandel Amsterdam. Later verwierven Saemy en Raphael Rosenberg alsmede hun neven Eric en Hans Stiebel de aandelen van deze vennootschap en in 1938 werd de naam van de onderneming gewijzigd in I. Rosenbaum NV. In de Tweede Wereldoorlog of kort daarna is Rosenberg de enig aandeelhouder van kunsthandel Rosenbaum geworden.

    Mede vanwege de nazidreiging verlieten Rosenberg en zijn broers in de jaren 1937-1939 Amsterdam en vestigden zich in Engeland en de Verenigde Staten. E.C.M. Peters, die al voor de bezetting voor Rosenbaum werkzaam was, werd in mei 1940 door commissaris en mede-oprichter van de vennootschap mr. P. J. Jürgens op grond van het toenmalige artikel 8 van de statuten van de vennootschap bij ontstentenis van de buiten Nederland verblijvende bestuurder(s) tot waarnemend bestuurder benoemd, en later (januari 1941) tot bestuurder. In november 1940/april 1941 is op initiatief van Rosenberg de statutaire zetel van de vennootschap verplaatst van Amsterdam naar Willemstad, Curaçao. Op 24 november 1942 verklaarde Rosenberg dat het ‘operating office’ van de vennootschap in New York gevestigd was. In New York dreef Rosenberg met één of meerdere familieleden een kunsthandel met oorspronkelijk de naam Rosenberg & Stiebel Inc., later gewijzigd in S.Ltd. Vermoedelijk heeft er in de oorlogsjaren nauwelijks tot geen contact kunnen zijn tussen Rosenberg in New York (die zich in oorlogstijd als enig bestuurder van de vennootschap beschouwde) en de in Nederland achtergebleven Peters en Jürgens. Blijkens een na de oorlog door Peters bij brief van 10 augustus 1945 aan Rosenberg uitgebracht verslag over de oorlogsjaren kon kunsthandel Rosenbaum te Amsterdam na de Duitse inval aanvankelijk op tamelijk normale wijze zaken blijven doen. Dat werd in 1941 anders. In 1941/1942 kwalificeerde de Dienststelle Mühlmann (één van de Duitse roofinstellingen die zich bezig hielden met verwerven van kunst voor het Derde Rijk) negentien objecten van Rosenbaum als ‘reichswichtige Kunstschätze’ en confisqueerde die objecten. Door de Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven van 12 maart 1941 kwamen joodse kunsthandels bovendien in toenemende mate onder druk te staan. Tot begin 1942 bestierde Peters de kunsthandel alleen. In februari 1942 werd de Rijksduitser Herbert Wieth door de bezetter tot Verwalter van Rosenbaum benoemd. Peters en Jürgens zouden na de oorlog verklaren dat zij goed met Wieth hadden samengewerkt. In 1944 werd Wieth als Verwalter vervangen door de Nederlander Wietze Jager, wiens opdracht als ‘Liquidations-Treuhänder’ was om de kunsthandel te liquideren en die in februari 1945 de gehele voorraad van de kunsthandel liet veilen, volgens verklaring van betrokkenen ver beneden de werkelijke waarde. Peters heeft na de oorlog pogingen ondernomen om de door Rosenbaum daardoor geleden schade op Jager te verhalen.

    Na de oorlog bleef Peters als bestuurder functioneren. Rosenbaum werd in 1947 bij besluit van haar enig aandeelhouder Rosenberg ontbonden, met benoeming van hemzelf,

    M. Meyer en eerdergenoemde P. J. Jürgens tot vereffenaars. De vereffening was per 1 januari 1948 voltooid.

  2. Verzoekers hebben verklaard dat zij de erfgenamen zijn van ‘the late Isaak and Jacob Rosenbaum and descendants, especially of Saemy Rosenberg and Hans and Eric Stiebel’. Uit het onderzoek komt naar voren dat J.L. een kleinzoon is van Rosenberg, en G.S. de zoon is van Eric Stiebel. Rosenberg en Eric Stiebel hebben in ieder geval tot 1940 behoord tot de aandeelhouders van Rosenbaum. Verzoekers hebben voorts verklaard dat Rosenberg in de oorlogsjaren of kort daarna de enig aandeelhouder van Rosenbaum is geworden en dat L. de enig erfgenaam van Saemy Rosenberg is. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van diverse documenten, op grond waarvan zij geen reden heeft te twijfelen aan die status van Rosenberg en L.

  3. Nu kunsthandel Rosenbaum sinds 1947 niet meer bestaat, is de commissie van oordeel dat Rosenberg, enig aandeelhouder op het moment van de liquidatie en verkrijger van de ‘remaining assets’ van Rosenbaum bij haar liquidatie zoals blijkt uit een brief van 8 januari 1948 van de vereffenaars Meyer en Jürgens aan Rosenberg, gerechtigd was restitutie te verzoeken van de objecten waarop dit advies betrekking heeft en dat na zijn overlijden zijn erfgenamen daartoe gerechtigd zijn.

  4. De commissie is van oordeel dat S.Ltd., die in deze tevens als verzoeker optreedt, er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij als voortzetting van Rosenbaum (‘successor company’) moet worden gezien, of van Rosenbaum de eigendom van een of meer van de betreffende dertien objecten zou hebben verworven voordat het bezit daarvan in de oorlogsjaren verloren ging. De commissie concludeert dan ook dat S.Ltd. niet-ontvankelijk is in zijn restitutieverzoek. G.S. komt als erfgenaam van Eric en Hans Stiebel evenmin in aanmerking om restitutie te verzoeken van objecten die aan Rosenbaum hebben toebehoord. Eric en Hans Stiebel waren ten tijde van de liquidatie van Rosenbaum geen aandeelhouders meer en ook overigens kan hun erfgenaam G.S. niet als feitelijk belanghebbende bij de restitutie worden gezien.

  5. Met betrekking tot één van de in dit advies besproken objecten, het schilderij De Heilige Familie met Johannes de Doper en de Heilige Catharina van het atelier van J. Palma il Vecchio (NK 1436), is door Rosenberg namens Rosenbaum in de naoorlogse jaren teruggave verzocht. Op dat verzoek en de implicaties daarvan wordt in overweging 22 nader ingegaan. Met betrekking tot de overige twaalf objecten is de commissie niet gebleken dat Rosenbaum dan wel Rosenberg in de naoorlogse jaren teruggave heeft verzocht of heeft afgezien van het recht op restitutie, zodat met betrekking tot die objecten geen sprake is van een afgehandelde zaak. De commissie acht J.L. ontvankelijk in zijn restitutieverzoek met betrekking tot die twaalf objecten. Het oordeel van de commissie ten aanzien van de ontvankelijkheid met betrekking tot NK 1436 volgt in overweging 22.

  6. Het onderhavige restitutieverzoek dient te worden beoordeeld in overeenstemming met de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart (2003). Voor toewijzing van het verzoek is allereerst noodzakelijk dat het in hoge mate aannemelijk is dat de geclaimde objecten eigendom van Rosenbaum waren op het moment dat van onvrijwillig bezitsverlies sprake kan zijn geweest. Vervolgens dient te worden onderzocht of sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

    De Aanbevelingen voor de kunsthandel bepalen daarbij dat, indien er geen sprake is van naoorlogse aangiftebiljetten, zoals in het geval van Rosenbaum, aanwijzingen, die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van verkoop onder dwang, diefstal of confiscatie, als grond voor teruggave dienen te worden beschouwd. Bij de beoordeling van die aanwijzingen dienen de ten aanzien van joodse handelaren bedreigende algemene omstandigheden te worden verdisconteerd. Aanbeveling 6 verstaat daarnaast onder onvrijwillige verkoop een verkoop door een Verwalter of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde voorraden.

    Met het oog op de toetsing aan deze criteria onderscheidt de commissie hierna vijf categorieën van objecten:
    a)      ‘metawerken’ met en in feitelijk bezit van kunsthandel Goudstikker (NK 2915 en NK 3269) en
    b)      werken in eigendom van Rosenbaum, in consignatie bij kunsthandel Goudstikker (NK 1457, NK 1474, NK 2173);
    c)      werken uit de handelsvoorraad van Rosenbaum mogelijk of zeker aangekocht en verkocht door een Verwalter (NK 180, NK 181 a-b, NK 455, NK 456 a-b, NK 659 a-b, NK 2903 a-b);
    d)     eigendom van Rosenbaum onzeker (NK 1845);
    e)      eigendom Rosenbaum en geconfisqueerd door Mühlmann (NK 1436).

    Categorie a: Metawerken met en in feitelijk bezit van Goudstikker (NK 2915 en NK 3269)

  7. Rosenbaum onderhield voor de Tweede Wereldoorlog nauwe commerciële betrekkingen met de eveneens in Amsterdam gevestigde kunsthandel Jacques Goudstikker N.V. (hierna: Goudstikker). Tussen beide kunsthandels bestond een rekening-courantverhouding. Goudstikker onderhield met meer kunsthandels in Nederland goede betrekkingen, die zich manifesteerden in gezamenlijke handel in schilderijen, met vaak een leidende rol voor Goudstikker (zie ook het advies inzake Goudstikker, RC 1.15, overweging 14).

    In een verklaring gedateerd 24 november 1942 geeft Rosenberg uitleg over de betrekkingen tussen Rosenbaum en Goudstikker:‘They bought and sold pictures and works of art in joint account. Furthermore, the two firms did business on a consignment basis.’ In drie bijlagen bij de verklaring worden tweeëndertig schilderijen genoemd die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog onderdeel zouden hebben gevormd van het zakelijk verband tussen de beide kunsthandels, te weten acht schilderijen in het bezit van Goudstikker waarin partijen ‘a half share’ hadden (Exhibit A bij de verklaring), drie schilderijen in bezit van Rosenbaum waarin partijen eveneens ‘a half share’ hadden (Exhibit B) en eenentwintig schilderijen van kunsthandel Rosenbaum in consignatie bij Goudstikker (Exhibit C).

    Van een omvangrijk transactieverkeer waarbij beide kunsthandels betrokken waren is de commissie ook gebleken uit diverse rapportages in de oorlogsjaren uitgebracht aan Goudstikker, waaronder een door de accountant J. Elte in 1942 opgesteld (concept)rapport inzake de oprichting per 14 september 1940 van de naamloze vennootschap Kunsthandel voorheen J. Goudstikker NV (hierna: Goudstikker-Miedl), het bedrijf waarin de Duitser Alois Miedl de kunsthandel Goudstikker voortzette na de vlucht van Jacques Goudstikker in mei 1940 naar Engeland en diens overlijden door een ongeval tijdens de vlucht.

  8. In de kunsthandel werden en worden vaak kunstwerken door particulieren of kunsthandels ter verkoop in consignatie gegeven aan een (andere) kunsthandel. Rosenbaum en Goudstikker deden op die basis (‘consignment basis’) klaarblijkelijk gezamenlijk veel transacties, maar deden ook zaken in wat Rosenberg ‘joint account’ noemde. Het gaat dan om werken die in de administratie van Goudstikker worden aangeduid als ‘metawerken’. In haar brief van 23 augustus 1940 aan Deutsche Revisions- und Treuhand A.G. gaat Rosenbaum in op het karakter van metawerken: ‘Im Antiquitaetenhandel ist es ueblich, dass der Metist, der die Gegenstaende in seinem Besitz hat, ueber die Gegenstaende als sein Eigentum verfuegen kann, sodass der andere Metist nicht einen dinglichen Anspruch hat, sondern nur einen Anspruch auf Abrechnung des halben Verkaufpreises.Wir glauben daher, dass wir nach den bestehenden Verordnungen, den Verkauf ohne Genehmigung durchfuehren und den Meta-Anteil dem Metisten gutschreiben duerften .(….).’
    Gelet hierop verstaat de commissie in deze zaak onder een metawerk een kunstwerk dat voor gemeenschappelijke rekening van twee (of meer) partijen (‘metisten’) door een van de partijen werd aangekocht, waarbij de partij die het werk feitelijk onder zich had als de juridisch eigenaar van het werk werd beschouwd, terwijl de economische eigendom aan de partijen gezamenlijk toebehoorde. De bezitter-metist kon als eigenaar zelfstandig over het werk beschikken maar was gehouden de opbrengst te delen met de andere metist(en) volgens een door de metisten overeengekomen sleutel. Het gevolg hiervan voor de huidige claim is dat naar het oordeel van de commissie de kunsthandelaar die de werken feitelijk onder zich had, als eigenaar in de zin van het restitutiebeleid moet worden aangemerkt.


  9. Uit de aangetroffen documentatie kan worden afgeleid dat het huidige NK 2915 in 1938 op een veiling bij Frederik Muller is aangekocht door de kunsthandels Goudstikker en Rosenbaum voor halve aandelen en op het moment van de Duitse inval aanwezig was in het pand van kunsthandel Goudstikker te Amsterdam. In het NBI-archief is een waarschijnlijk door Siegfried Rosenberg ondertekende brief aan Jacques Goudstikker aangetroffen waaruit blijkt dat Rosenbaum het huidige NK 3269 omstreeks 4 april 1940 voor gemeenschappelijke rekening had aangekocht. Uit de documentatie blijkt dat het schilderij in juli 1940 feitelijk aanwezig was bij Goudstikker.

    Met betrekking tot beide schilderijen geldt dat Goudstikker vermoedelijk als onderdeel van een transactie, door A.A. ten Broek namens Goudstikker aan Rosenbaum voorgesteld bij brief van 19 juli 1940, het halve aandeel van Rosenbaum heeft overgenomen (zie over die transactie hieronder in overweging 13 nader).

  10. De commissie acht het hiermee aannemelijk dat het bij deze schilderijen om metawerken van Goudstikker en Rosenbaum in de hierboven beschreven zin gaat, met Goudstikker als de met verkoop belaste partij waar de werken zich feitelijk bevonden. Naar het oordeel van de commissie is hiermee aannemelijk geworden dat deze werken niet tot de handelsvoorraad van Rosenbaum hebben behoord en niet zijn aan te merken als eigendom van Rosenbaum. Aan het feit dat zij zich op het moment van de transactie, genoemd in de brief van 19 juli 1940, in het bezit van Goudstikker bevonden zijn eerder aanwijzingen te ontlenen dat zij tot de handelsvoorraad (de juridische eigendom) van Goudstikker behoorden. Reeds om deze reden moet de commissie tot afwijzing van het verzoek tot teruggave van NK 2915 en NK 3269 adviseren.

    Categorie b: Werken van kunsthandel Rosenbaum in consignatie bij Goudstikker (NK 1457, NK 1474 en NK 2173)

  11. Met betrekking tot drie andere schilderijen (NK 1457, NK 1474 en NK 2173) is de commissie, in het licht van de brief van 19 juli 1940 van Goudstikker aan Rosenbaum (waarover hieronder in overweging 13 nader), van oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat deze in juli 1940 eigendom waren van Rosenbaum en in consignatie waren bij Goudstikker.

    Daarbij dient te worden opgemerkt dat het tevens aannemelijk is dat het huidige NK 1457 (een van de eerder aan Sotte Cleve toegeschreven portretten) een metawerk betreft van Rosenbaum met H. Stiebel. Hiervoor verwijst de commissie naar de omschrijving in de brief van 23 augustus 1940 van Rosenbaum aan Deutsche Revisisons- und Treuhand A.G. van twee portretten van Sotte Cleve als metawerken met H. Stiebel (zie ook hierboven, overweging 8). Gezien het hiervoor beschreven karakter van metawerken betekent dit dat het schilderij in juli 1940 als (juridisch) eigendom van Rosenbaum dient te worden beschouwd. Ook dit werk is vervolgens door Rosenbaum in consignatie gegeven bij kunsthandel Goudstikker.

  12. Nu de eigendom van deze werken aannemelijk is, komt de commissie vervolgens toe aan de vraag of Rosenbaum deze drie schilderijen onvrijwillig, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, heeft verloren.

  13. Daarvoor is van belang een transactie tussen Rosenbaum en Goudstikker van

    juli-september 1940, die als volgt kan worden samengevat.

    Bij brief van 19 juli 1940 schreef een medewerker van de kunsthandel van Jacques Goudstikker, A.A. ten Broek, aan Rosenbaum dat Goudstikker er prijs op stelde alle metaverhoudingen tussen de firma’s op te lossen. In die brief presenteert Ten Broek zich als waarnemend directeur van kunsthandel J. Goudstikker NV, en stelt hij onder meer voor dat:

    a)      Goudstikker van acht metawerken in haar bezit, waaronder NK 2915 en NK 3269, het ‘halve aandeel’ van Rosenbaum zou overnemen;
    b)      Goudstikker acht kunstwerken, waaronder NK 1457, NK 1474 en NK 2173, eigendom van Rosenbaum en in consignatie bij Goudstikker, zou overnemen;
    c)      Rosenbaum van drie metaschilderijen in haar bezit het ‘halve aandeel’ van Goudstikker zou overnemen. Deze werken bevonden zich juli 1940 al buiten Nederland en maken geen deel uit van het onderhavig restitutieverzoek.

    Kennelijk werd een finale afwikkeling van alle bestaande zakelijke banden tussen de beide kunsthandels beoogd, getuige de zinsnede: ‘Na afwikkeling van deze transactie zyn tusschen onze beide firma’s geen kwestie’s meer hangende, behalve ons evtl. provisie-aandeel aan het schildery van Rubens ‘H. Gregorius &Domitilla’.

    Omdat de onder c) bedoelde schilderijen zich buiten Nederland bevonden werd het voorstel door Goudstikker gedaan onder de voorwaarde dat het Deviezeninstituut toestemming voor de transactie zou geven. Ten Broek besloot zijn brief met: ‘Zoodra wy Uw bevestiging in ons bezit hebben, dat U met e.e.a. accoord gaat zullen wij de bedoelde toestemming aanvragen.

    Het voorstel lijkt vervolgens door Rosenbaum te zijn aanvaard. Peters schreef op 27 september 1940 aan Ten Broek: ‘Wy bevestigen hiermede de ontvangst van Uw schryven dd. 27 dezer en was het ons aangenaam te vernemen, dat de toestemming van het Deviezeninstituut tot het afwikkelen der voorgestelde transactie inmiddels door U werd ontvangen. Gaarne vernemen wy van U, wanneer U de diverse goederen by ons wilt laten afhalen.’ Ook in diverse accountantsrapporten met betrekking tot de oprichting van kunsthandel Goudstikker-Miedl per 14 september 1940, waaronder het rapport uitgebracht door de accountant Elte, zijn aanwijzingen te vinden dat de transactie zoals voorgesteld door Ten Broek voor wat betreft de vijf hiervoor bedoelde schilderijen ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Hiermee lijkt Goudstikker in de zomer van 1940, voor zover hij dat al niet was, (juridisch en economisch) eigenaar geworden van zowel de schilderijen die thans bekend staan als NK 2915, NK 3269 (de hierboven al besproken categorie a), als van de schilderijen NK 1457, NK 1474 en NK 2173 (categorie b).

  14. Ten aanzien van de vraag of dit bezitsverlies door Rosenbaum dient te worden aangemerkt als onvrijwillig in de zin van het huidige restitutiebeleid (zie ook hiervoor, overweging 6), het volgende.

    De commissie heeft zich allereerst de vraag gesteld of aan het feit dat het voorstel gedaan door ten Broek niet kon worden beoordeeld door de buiten Nederland verblijvende bestuurder van Rosenbaum (Rosenberg), maar werd beoordeeld door Peters en (vermoedelijk ook) commissaris Jürgens, aanleiding geeft het als gevolg van hun beslissing geleden bezitsverlies als gedwongen aan te merken. Daarbij kan van belang zijn of Peters dient te worden gezien als een 'niet door de eigenaar aangestelde beheerder' (zie ook overweging 6). Gezien het navolgende beantwoordt de commissie die vraag ontkennend.

    Peters was al voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam bij Rosenbaum. Zij kreeg op 5 december 1939 van directeur Siegfried Rosenberg volmacht tot het ondertekenen van bepaalde documenten. Zij is in mei 1940, bij ontstentenis van de buiten Nederland verblijvende directie, door Jürgens, medeoprichter en commissaris van Rosenbaum, rechtsgeldig tot (waarnemend) bestuurder benoemd en is na de oorlog bestuurder van Rosenbaum gebleven met kennelijke instemming van Rosenberg. Hieraan doet naar het oordeel van de commissie niet af dat Rosenberg via de Nederlandse justitiële autoriteiten in Londen in november 1940 een statutenwijziging voor Rosenbaum heeft gerealiseerd waarbij onder meer de statutaire zetel van de vennootschap werd verplaatst naar Curaçao en de bevoegdheden van directeuren op Nederlands grondgebied werden beperkt. Die statutenwijziging, waarvan Peters en Jürgens vermoedelijk geen weet hebben gehad tot na de oorlog, dateert van na de vermoedelijke transactie Rosenbaum/Goudstikker van juli-september 1940. Zij lijkt bovendien meer ingegeven door de wens om een formele barrière tegen een greep van de Duitse bezetter op de vennootschap op te werpen, dan om bemoeienissen van de (loyale) bestuurder Peters en commissaris Jürgens met de kunsthandel Rosenbaum onmogelijk te maken. Het is de commissie daarnaast ook niet gebleken dat Rosenbaum en/of haar enig aandeelhouder Rosenberg, door Peters in de oorlog verrichte transacties of andere handelingen na de oorlog heeft aangevochten.

  15. Vervolgens heeft de commissie zich afgevraagd of bij de transactie zoals die in juli-september 1940 tussen Rosenbaum en Goudstikker heeft plaatsgevonden, sprake is geweest van dwang op Peters. De formele bevoegdheid van Peters om de transactie aan te gaan, laat immers onverlet dat van onvrijwillig bezitsverlies sprake zou kunnen zijn geweest in de zin van het huidige restitutiebeleid. Volgens de aanbevelingen dient sprake te zijn van een hoge mate van waarschijnlijkheid van een gedwongen verkoop (zie ook overweging 6).

    Daarvan is de commissie niet gebleken. Van Peters zijn geen uitlatingen bekend waaruit kan worden afgeleid dat zij zich door Ten Broek onder druk gezet voelde. In dit verband kan er ook op gewezen worden dat Peters vermoedelijk heeft kunnen rekenen op ondersteuning door commissaris (advocaat) Jürgens. De transactie, met betrekking tot kunstwerken die zich al voor de oorlog in consignatie bij Goudstikker bevonden, is gezien de liquidatie van kunsthandel Goudstikker en de daarmee vermoedelijk samenhangende wens om de relatie Goudstikker/Rosenbaum af te wikkelen, naar het oordeel van de commissie dan ook niet aan te merken als onvrijwillig in de zin van het beleid. Ook uit het rapport van 18 oktober 2011, opgesteld door expert Van der Elst, waarin een overzicht wordt gegeven van de bedragen waarom het bij de transactie vermoedelijk ging, wordt geconcludeerd dat de transactie sterk lijkt op een transactie met gesloten beurzen. De commissie begrijpt hieruit dat ieder van partijen min of meer gelijkwaardige prestaties op zich namen.

  16. De commissie concludeert dat het bezitsverlies van de drie genoemde kunstwerken NK 1457, NK 1474 en NK 2173 in de zomer 1940 aan Goudstikker niet aan te merken is als onvrijwillig in de zin van het restitutiebeleid. Daarbij is tevens van belang dat de volle eigendom van de drie metaschilderijen waarvan Rosenbaum het ‘halve aandeel’ van Goudstikker heeft overgenomen en die zich al in het buitenland bevonden, klaarblijkelijk geheel aan Rosenbaum ten goede is gekomen.

    De commissie adviseert met betrekking tot NK 1457, NK 1474 en NK 2173 eveneens tot afwijzing van het verzoek tot teruggave.

    Categorie c: Werken uit de handelsvoorraad van Rosenbaum mogelijk of zeker aangekocht en verkocht door een Verwalter (NK 180, NK 181 A-B, NK 455, NK 456 A-B, NK 659 A-B, NK 2903 A-B)

  17. Voor alle objecten uit deze categorie geldt dat aankoopdata door Rosenbaum onbekend zijn gebleven, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid in 1942 of 1943, op het moment dat kunsthandel Rosenbaum onder beheer stond van een Verwalter, zijn verkocht aan het Hetjens Museum in Düsseldorf of aan C.E. Pongs te Düsseldorf. Ten aanzien van NK 2903 zijn bij het onderzoek gegevens aangetroffen waaruit kan worden geconcludeerd dat dit object tijdens de bezetting werd verworven door de Verwalter. Voor de overige objecten is geen duidelijkheid verkregen over de vraag wanneer zij terechtkwamen in de handelsvoorraad van kunsthandel Rosenbaum, zodat de mogelijkheid bestaat dat zij tijdens het beheer van de Verwalter zijn verworven. De commissie is daarom van oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is geworden dat deze objecten tot de oude handelsvoorraad van Rosenbaum hebben behoord en zal daarom moeten adviseren tot afwijzing van het verzoek met betrekking tot deze objecten.

    Categorie d: Herkomst van Rosenbaum onzeker (NK 1845)

  18. Er zijn aanwijzingen dat het schilderij Keukeninterieur met wild van D. Teniers II (NK 1845) in 1935 in het bezit is geweest van Rosenbaum. Uit de onderzoeksgegevens blijkt echter dat dit schilderij waarschijnlijk in 1940 door kunsthandel Delaunoy te Amsterdam aan Mühlmann is verkocht ten behoeve van Hermann Göring. Onderzoek heeft geen duidelijkheid verschaft over de vraag wanneer NK 1845 uit het bezit van Rosenbaum is geraakt. Nu niet in hoge mate aannemelijk is dat dit schilderij aan het begin van de bezetting nog eigendom was van Rosenbaum, zal de commissie ook voor wat betreft dit schilderij adviseren tot afwijzing van het verzoek tot teruggave.

    Categorie e: eigendom Rosenbaum en geconfisqueerd door Mühlmann (NK 1436)

  19. De laatste in dit advies te bespreken categorie betreft ‘De Heilige Familie met Johannes de Doper en de Heilige Catharina’, uit het atelier van J. Palma il Vecchio (NK 1436), waarvoor geldt dat dit werk mogelijk in 1942 uit de handelsvoorraad van Rosenbaum is geconfisqueerd (zie ook overweging 1). De samenvatting van het onderzoek van de commissie is als volgt.

    De Dienststelle Mühlmann liet in 1941 door een medewerker de handelsvoorraad van Rosenbaum onderzoeken op voor het Duitse Rijk belangrijke kunstwerken. Negentien werken werden als ‘reichswichtige Kunstschätze’ gekwalificeerd, op grond waarvan Rosenbaum deze werken voor Mühlmann moest reserveren. Zij werden vervolgens in maart 1942 bij Rosenbaum afgehaald. Terzake van die werken betaalde Mühlmann een bedrag van NLG 65.400 aan Rosenbaum. Onder de negentien werken bevond zich volgens een verslag van Peters aan Rosenberg van 10 augustus 1945 een schilderij dat zij beschreef als ‘Maria mit kind und Heiligen von Palma Vecchio’. Er zijn aanwijzingen dat dit kunstwerk een metawerk was. In haar eerdergenoemde brief van 23 augustus 1940 aan de DRT noemde Rosenbaum een werk van Palma Vecchio, waarbij werd vermeld dat ‘die Metisten sich nicht in feindlichen Ausland befinden’. Onbekend is wie deze metisten waren.

  20. Ten aanzien van de vraag of het huidige NK 1436 kan worden geïdentificeerd als het door Rosenbaum door confiscatie verloren werk van Palma Vecchio, heeft de commissie nader onderzoek uitgevoerd. Na de oorlog werden diverse werken met een herkomst Mühlmann door de geallieerden teruggevonden. Een van deze kunstwerken betrof een schilderij dat destijds werd toegeschreven aan Palma il Vecchio. In het SNK-archief is een inventariskaart aangetroffen met daarbij een foto die overeenkomt met het huidige NK 1436. Na de recuperatie van NK 1436 kostte het de SNK kennelijk enige moeite om de juiste herkomst van het schilderij te herleiden. Op het SNK Interne Aangifte Formulier en SNK-inventariskaart voor dit object wordt vermeld: ‘Confiscated by Omnia Treuhand from Jewish Owner. Sold to Dienststelle Mühlmann, The Hague.’ Verder zijn op formulier en kaart diverse herkomstnamen doorgestreept en zijn op onbekend moment (vermoedelijk door een SNK-medewerker) met de hand de naam ‘Rosenbaum’ op het formulier en de namen ‘Rosenbaum’ en ‘Rosenberg’ op de kaart geschreven.

    Op de inventariskaart en het SNK Interne Aangifte Formulier zijn echter afmetingen vermeld (69 x 87.5 cm) die enigszins afwijken van het huidige NK 1436 (volgens BHG 69 x 97 cm), en daarnaast wordt het schilderij op een lijst van uit Würzburg gerecupereerde werken omschreven als een werk op canvas, terwijl het huidige NK 1436 een olieverfschilderij op paneel betreft. De commissie is desalniettemin van oordeel dat deze verschillen in de beschrijvingen op de Witte Kaart en het SNK Aangifte Formulier identificatie van het huidige NK 1436 als het van Rosenbaum afkomstige werk niet in de weg staan, aangezien hier waarschijnlijk sprake is geweest van een vergissing.

    Daarnaast geldt het volgende. Rosenberg heeft in maart 1947 teruggave verzocht van vier gerecupereerde kunstwerken die door Mühlmann zouden zijn geconfisqueerd. Hieronder bevond zich ‘1 schildery van Palma Vecchio’, waarmee naar de commissie aanneemt het huidige NK 1436 is bedoeld. Op instigatie van het Nederlandse Beheersinstituut heeft de SNK Rosenbaum aangeboden dat zij het schilderij kon terugkopen voor het door Mühlmann voor het schilderij aan Rosenbaum betaalde bedrag van NLG 25.000. Hoewel de SNK in eerdere correspondentie lijkt te zijn uitgegaan van identificatie van het schilderij als voormalig eigendom van Rosenbaum, vroeg mr. J. Jolles in 1949 namens de SNK aan M. Meyer om informatie betreffende de identificatie van een werk van Palma il Vecchio, aangezien er aanwijzingen waren dat ‘(….) dit schilderij het vroeger het bezit is geweest van de Heer S. Rosenberg.’ Meyer, de voormalige vereffenaar van kunsthandel Rosenbaum, liet bij brief van 7 oktober 1949 aan de SNK weten: ‘dat een schilderij van P. Vecchio voorstellende de H. Familie, inderdaad in het bezit van onze firma (….) is geweest’. Voorts schreef hij in die brief: ‘Ik wil echter niet nalaten U ervan in kennis te stellen dat de Heer Rosenberg er geen prijs op stelt dit schilderij terug te kopen.’

    Uit de inhoud van de briefwisselingen is niet met zekerheid vast te stellen of deze betrekking heeft op het huidige NK 1436. Dat dit waarschijnlijk wel het geval is leidt de commissie af uit een formulier van de SNK van 25 mei 1950, ondertekend door Peters na een bezoek aan een tentoonstelling van gerecupereerde kunst. Op het formulier verklaarde Peters, dat ze schilderijen als voormalig eigendom (van Rosenbaum) had herkend, waaronder één werk dat blijkens een aantekening op het formulier het inventarisnummer ‘G 69’ had. Op de hierboven genoemde SNK-inventariskaart die betrekking heeft op NK 1436 is eveneens de aantekening ‘G 69’ aangebracht. Op het formulier verklaarde Peters tevens: ‘wenst de Hr. Rosenberg niet terug te kopen’.

  21. De commissie acht het op grond van de hierboven in overweging 20 genoemde feiten in hoge mate aannemelijk dat NK 1436 tot de handelsvoorraad van Rosenbaum heeft behoord en dat Rosenbaum het bezit daarvan onvrijwillig heeft verloren, als gevolg van confiscatie door Mühlmann. Omdat kunsthandel Rosenbaum in 1941 werd geïnventariseerd door Mühlmann, voor het aantreden van een Verwalter, concludeert de commissie dat het werk oude handelsvoorraad van Rosenbaum betreft. Dat in een brief van 23 augustus 1940 aan de DRT een werk van Palma il Vecchio wordt genoemd, ziet de commissie als een aanvullende aanwijzing. Ondanks het feit dat in deze brief aanwijzingen zijn gevonden dat sprake is van een metawerk, ziet de commissie hierin geen reden om te twijfelen aan de eigendomsstatus, gezien het in overweging 8 besprokene in samenhang met de constatering dat het schilderij door Mühlmann werd geconfisqueerd na een inventarisatie van werken aangetroffen bij kunsthandel Rosenbaum.

  22. Vervolgens heeft de commissie zich afgevraagd of Rosenbaum in de naoorlogse periode expliciet heeft afgezien van haar rechten op NK 1436. Dit zou volgens het toepasselijke restitutiebeleid tot gevolg kunnen hebben dat sprake is van een afgehandelde zaak, hetgeen aan het huidige restitutieverzoek in de weg zou kunnen staan. De commissie beantwoordt deze vraag ontkennend. Het feit dat Rosenberg het schilderij, waarvan de waarde na de oorlog werd geschat op NLG 3.500 niet voor Rosenbaum wilde terugkopen voor NLG 25.000, impliceert niet dat Rosenbaum en/of Rosenberg als feitelijk belanghebbende afzag van haar/zijn (eventuele) recht op restitutie van het schilderij, laat staan dat zij/hij dat expliciet deed. De commissie acht L. daarom ook met betrekking tot dit schilderij ontvankelijk in zijn restitutieverzoek.

  23. In het licht van het vorengaande oordeelt de commissie dat aan de voorwaarden voor restitutie van NK 1436 is voldaan. De commissie ziet geen aanleiding om tegenover restitutie te adviseren tot terugbetaling van de destijds door Rosenbaum ontvangen tegenprestatie van NLG 25.000. Die terugbetaling komt ingevolge de ook voor de kunsthandel geldende vierde aanbeveling van de Aanbevelingen van de Commissie Ekkart van april 2001 alleen aan de orde indien het betaalde bedrag daadwerkelijk ter vrije beschikking van de verkoper of zijn erven is gekomen, waarbij deze het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Reeds gezien het feit dat de tegenprestatie werd ontvangen toen Rosenbaum onder beheer stond van een Verwalter, is niet aannemelijk dat deze ter vrije beschikking van Rosenbaum is gekomen. In een brief van 11 maart 1947 aan de SNK schreef Rosenberg bovendien dat de van Mühlmann ontvangen tegenprestatie als verloren moest worden beschouwd als gevolg van manipulaties van de door de Duitsers aangestelde Verwalters. De commissie acht het dan ook aannemelijk dat het bedrag van NLG 25.000.- niet ter vrije beschikking van Rosenbaum is gekomen in de zin van het restitutiebeleid, en ziet derhalve geen aanleiding om bij teruggave van dit schilderij tot betaling van een tegenprestatie te adviseren.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om:

  1. verzoekers G.S. en S.Ltd. te NY, V.S., niet-ontvankelijk te verklaren in hun restitutieverzoek;
  2. het verzoek van J.L. tot teruggave van de objecten met NK-nummers 180, 181 A-B, 455, 456 A-B, 659 A-B, 1457, 1474, 1845, 2173, 2903 A-B, 2915 en 3269 af te wijzen;
  3. het schilderij, ‘De Heilige Familie met Johannes de Doper en de Heilige Catharina’, uit het atelier van J. Palma il Vecchio (NK 1436) te restitueren aan de gerechtigden tot de nalatenschap van Saemy Rosenberg.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 19 december 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                                (E. Campfens, secretaris)