Wassermann

Vrouw spelend op de luit, A.R. von Lisiewska (NK 1931)

Advies inzake Wassermann

Dossiernummer: 
1.86
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
1 december 2008
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 4 april 2007 hebben de ‘members of the community of heirs after Siegmund Wassermann’ (hierna: verzoekers) door tussenkomst van hun advocaat J. von Trott zu Solz te Berlijn, een restitutieverzoek ingediend bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) tot teruggave van het schilderij Vrouw spelend op de luit, van A.R. von Lisiewska. Het onderhavige kunstwerk maakt sinds zijn recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog onder inventarisnummer NK 1931 deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie). Het geclaimde schilderij bevindt zich thans in bruikleen bij Museum Het Markiezenhof te Bergen op Zoom.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde de correspondentie van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) met verzoekers, betreffende bovengemeld schilderij dat tijdens de Tweede Wereldoorlog waarschijnlijk heeft toebehoord aan de joods-Duitse bankier dr. Sigmund Wassermann. Bij brief van 7 juni 2007 heeft de Minister van OCW het restitutieverzoek ter advisering aan de Restitutiecommissie voorgelegd. Naar aanleiding van dit adviesverzoek heeft de Restitutiecommissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 18 augustus 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 4 september 2008 voor commentaar toegezonden aan verzoekers, die daarop bij brief van 22 september 2008 hebben gereageerd. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 1 december 2008. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.
b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.
c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, indien het betreft particulier kunstbezit, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.
d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).
e) Onvrijwillig bezitsverlies is in hoge mate waarschijnlijk indien is verkocht zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen:

  1. Verzoekers vragen teruggave van het schilderij Vrouw spelend op de luit, van A.R. von Lisiewska (NK 1931). Verzoekers hebben gesteld erfgenamen te zijn van dr. Sigmund Wassermann (hierna: Wassermann). In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken. Deze stukken hebben de commissie geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de erfrechtelijke status van verzoekers. Volgens verzoekers heeft Wassermann het onderhavige schilderij onvrijwillig verloren als direct gevolg van het naziregime.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 1 december 2008 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Wassermann werd in 1889 in Duitsland geboren en was van joodse afkomst. In 1939 vluchtte hij voor de nazi’s naar Amsterdam, waar hij werkzaam was als bankier. Na de bezetting van Nederland wist Wassermann in maart 1941 naar de Verenigde Staten te ontkomen.

  3. Volgens verzoekers verkocht Wassermann in verband met zijn vlucht het onderhavige schilderij in april 1941 via zijn advocaat mr. C.F. van Veen (hierna: Van Veen) aan kunsthandel P. de Boer te Amsterdam. In het archief van deze kunsthandel zijn stukken aangetroffen die dit bevestigen. Zo heeft de commissie kennis genomen van een inventariskaart bij het schilderij waarop is vermeld: ‘Commissie van Veen (...) fl: 1000,-’. Op de achterzijde van de kaart is vermeld: ‘April ’41 Gekocht van van Veen (coll. Wassermann) fl. 1000.- ’. Verder is op de inventariskaart vermeld dat het schilderij in mei 1941 werd doorverkocht aan het Staedtisches Museum te Neurenberg. Na de oorlog heeft de kunsthandel bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) aangifte gedaan van de verkoop van het schilderij, waarbij werd vermeld dat het schilderij oorspronkelijk in bezit was van ‘Wassermann, Amsterdam’.

  4. Op de claimtentoonstelling van 20 april tot 9 juni 1950 in het Rijksmuseum herkende Van Veen het werk als de voormalige eigendom van Wassermann. Van Veen deed aangifte, waarna hij namens Wassermann heeft gecorrespondeerd met mr. J. Jolles, hoofd van Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen (taakopvolger van de SNK), over restitutie van het onderhavige werk. Uit deze correspondentie kan worden opgemaakt dat Wassermann de voor restitutie vereiste tegenprestatie, bestaande uit de destijds ontvangen koopprijs van fl. 1000,- niet (volledig) kon voldoen en daarom moest afzien van restitutie. Van Veen gaf daarbij echter te kennen dat hij graag opnieuw in overleg zou treden om tot een regeling te komen. Op 9 mei 1951 meldde Jolles echter aan Van Veen dat hij niet van de bestaande bepalingen kon afwijken en dat hij de claim derhalve terzijde zou leggen.

  5. Begin 1959 hebben Van Veen en mr. H.C. Visser opnieuw getracht het schilderij voor Wassermann terug te krijgen, eerst bij het Ministerie van Financiën en vervolgens bij het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Uit de bewaard gebleven correspondentie valt op te maken dat Wassermann toen wel in staat was de koopsom in zijn geheel terug te betalen. Op 22 januari 1959 werd dit tweede restitutieverzoek door de Minister van Financiën echter afgewezen, omdat Wassermann destijds, in 1951, om financiële redenen van restitutie had afgezien. Het restitutieverzoek bij het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen had evenmin succes. Wassermann overleed op 28 februari 1959.

  6. De commissie stelt vast dat de onderhandelingen die Wassermann na de oorlog met de Nederlandse restitutieautoriteiten en ministeries heeft gevoerd niet hebben geleid tot een uitspraak van de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter en evenmin tot een schikking met een boven de SNK geplaatst orgaan. Voorts overweegt de commissie dat Wassermanns beslissing van 1951 om voorlopig af te zien van restitutie vanwege de hoogte van de te betalen tegenprestatie, niet kan worden aangemerkt als het expliciet afzien van de vordering tot restitutie. De commissie constateert dan ook dat hier geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak en acht verzoekers ontvankelijk in hun verzoek.

  7. Ingevolge het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen, kan tot teruggave worden geadviseerd indien in hoge mate aannemelijk is dat het geclaimde schilderij oorspronkelijk eigendom was van Wassermann en deze het bezit daarvan onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  8. Met betrekking tot de eigendom van het thans geclaimde schilderij overweegt de commissie het volgende. Op grond van de onderzoeksgegevens, zoals hiervoor beschreven in overwegingen 3 en 4, acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat het onderhavige schilderij in 1941 aan Wassermann in eigendom toebehoorde.

  9. Met betrekking tot de aard van het bezitsverlies merkt de commissie het volgende op. Verzoekers hebben gesteld dat Wassermann het schilderij verkocht in verband met zijn emigratie. De commissie acht deze stelling aannemelijk gezien de feiten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Zo is gebleken dat Wassermann in maart 1941 naar de Verenigde Staten is uitgeweken en dat hij het onderhavige schilderij in diezelfde tijd, via Van Veen, in commissie gaf aan kunsthandel P. de Boer, die het werk vervolgens in april 1941 kocht. Over de reden van verkoop vermeldde Van Veen reeds op 2 juni 1950 op een formulier, ingevuld naar aanleiding van de claimtentoonstelling in het Rijksmuseum, dat het schilderij was verkocht in verband met emigratie. De commissie verwijst in dit verband naar de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001, overgenomen door de regering, die bepaalt dat verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig dienen te worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. De commissie is dan ook van oordeel dat Wassermann het bezit van het onderhavige schilderij onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  10. Op grond van het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van het geclaimde schilderij toewijsbaar. De commissie is van oordeel dat daaraan geen voorwaarde tot terugbetaling van de destijds ontvangen koopsom dient te worden verbonden. De commissie wijst daarbij op de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001, die bepaalt dat een verplichting tot terugbetaling uitsluitend bestaat wanneer de toenmalige verkoper de opbrengsten ter vrije beschikking heeft gekregen. Uit bovengemeld feitenrelaas is af te leiden dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is geweest.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Vrouw spelend op de luit, van A.R. von Lisiewska (NK 1931) te restitueren aan de erven van dr. Sigmund Wassermann.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 1 december 2008 door I.C. van der Vlies (waarnemend voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, en ondertekend door de waarnemend voorzitter en de secretaris.

(I.C. van der Vlies, waarnemend voorzitter) (E. Campfens, secretaris)