Kunsthandel Katz (A)

NK 1929

Advies inzake Katz - A

Dossiernummer: 
1.90-A
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
1 juli 2009
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel

Bij brief van 29 maart 2007 dienden S.G.-K. en haar echtgenoot S.S.G. te B.B., Florida, Verenigde Staten, een verzoek in bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) tot teruggave van een groot aantal objecten uit de Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie). Dit advies beperkt zich tot een selectie van 31 van de geclaimde NK-werken. Hierna wordt dit toegelicht. Verzoeker S.G. is op 14 juni 2007 overleden. In deze zaak treedt S.G.-K. derhalve als enige verzoekster op. S.G.-K. is een dochter van Nathan Katz, die met zijn broer Benjamin Katz eigenaar was van een kunsthandel te Dieren. Verzoekster wordt in de Verenigde Staten vertegenwoordigd door Tina M. Talarchyk te West Palm Beach, Florida en in Nederland door mr. Ph.W.M. ter Burg van advocatenkantoor Buren van Velzen Guelen te Den Haag. De Minister van OCW heeft het restitutieverzoek bij brief van 13 juni 2007 ter advisering aan de commissie voorgelegd.

DE PROCEDURE

Verzoekster diende eerder op 13 september 2004 een restitutieverzoek in met betrekking tot het werk Rivierlandschap met veerboot van S.J. van Ruysdael (NK 1789). Dit verzoek werd op 1 december 2004 door de toenmalige staatssecretaris van OCW aan de commissie voorgelegd. De resultaten van feitenonderzoek van de commissie zijn weergegeven in een conceptonderzoeksrapport van 21 augustus 2006 dat verzoekster is toegezonden voor commentaar. Omdat verzoekster herhaaldelijk verzocht om verlenging van de reactietermijn, uiteindelijk tot 25 augustus 2007, is in overleg met verzoekster deze zaak (RC 1.21) opgegaan in het latere restitutieverzoek van 29 maart 2007 (RC 1.90).
Bij brief van 12 juni 2008 heeft de commissie verzoekster laten weten dat het onderzoek naar de feiten werd ingezet. Bij deze brief werd een vragenlijst gevoegd die onder meer betrekking had op de identificatie en eigendom van de geclaimde werken. In overleg met verzoekster heeft de commissie de reactietermijn gesteld op 1 september 2008. Verzoekster heeft eind augustus 2008 verzocht de termijn te verlengen tot 1 december 2008, waarop de commissie het gevraagde uitstel heeft verleend. Ten aanzien van een selectie van 34 geclaimde werken, waarvan er 31 in dit advies worden behandeld, heeft de commissie de termijn echter gesteld op 22 oktober 2008 ter beperking van verdere vertraging, te meer nu een aantal van deze voorwerpen ook door andere partijen wordt geclaimd (NK 1532, NK 1537, NK 2245, NK 2366, NK 2463 en NK 2693). Voor de selectie van deze werken had het onderzoek naar de eigendom geen aanwijzingen opgeleverd dat de werken gedurende de bezettingsjaren in eigendom toebehoorden aan de kunsthandel van de gebroeders Katz, diens rechtsopvolger dan wel aan een der eigenaren van de kunsthandel in privé. De zaak met betrekking tot deze NK-werken is vervolgens door de commissie geregistreerd onder RC 1.90-A en vormt onderwerp van dit advies. De advisering met betrekking tot de overige geclaimde werken is geregistreerd onder RC 1.90-B en zal later plaatsvinden.
De resultaten van het onderzoek naar de eigendomssituatie van de 34 NK-werken zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 22 september 2008. Als bijlage bij het rapport zijn de onderzoeksgegevens van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) opgenomen. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 24 september 2008 voor commentaar toegezonden aan verzoekster en voor feitelijke aanvulling naar de minister. Daarbij heeft de commissie verzoekster specifiek gevraagd de eigendomsrechten van de kunsthandel of van de gebroeders Katz gedurende de bezetting met documentatie aan te tonen. Op 22 oktober 2008 heeft verzoekster gereageerd en daarbij aangegeven - samengevat - dat zij niet over de bronnen beschikte waarop het herkomstonderzoek gebaseerd was en dat zij zich het recht voorbehield deze bronnen te beoordelen. Bij brief van 11 november 2008 heeft de commissie verzoekster meegedeeld dat de bronnen waarop het herkomstonderzoek gebaseerd is voor belanghebbenden toegankelijk zijn en in de onderzoeksresultaten van BHG vermeld zijn. De commissie heeft verzoekster vervolgens een extra gelegenheid geboden om bewijzen omtrent de eigendom van de 34 NK-werken aan te leveren. Bij brief van 30 maart 2009 heeft verzoekster een aanvullende reactie gegeven (zie overweging 5).
Het onderzoeksrapport is vastgesteld op 1 juli 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekster heeft in het restitutieverzoek aangegeven op te treden als erfgename van haar vader Nathan Katz (1893-1949). Verzoekster stelt eveneens op te treden namens de overige erfgenamen van Nathan Katz. Zij heeft daarvoor echter geen toereikende volmachten overgelegd. Gedurende de procedure heeft verzoekster gesteld dat haar nicht V.K.-B., dochter van Benjamin Katz (1891-1962), eveneens als verzoekster moet worden aangemerkt. V.K.-B. (geboren 1918) zou als directe erfgename van Benjamin Katz optreden en tevens de overige erfgenamen van Benjamin Katz vertegenwoordigen. De commissie heeft echter geen stukken ontvangen waaruit onomstotelijk blijkt dat V.K.-B. in de huidige procedure als verzoekster optreedt. Aangezien de commissie geen reden heeft te twijfelen aan de positie van verzoekster als erfgename van Nathan Katz, heeft zij besloten in deze zaak tot advies over te gaan, ondanks de verschillende gebreken in vertegenwoordigingsbevoegdheid. De commissie merkt daarbij op dat zij in het onderzoek heeft bezien of ook de erven van Benjamin Katz aanspraak kunnen maken op restitutie van 31 van de geclaimde werken, ondanks het feit dat vragen zijn gerezen over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van verzoekster in deze.

  2. Verzoekster heeft gedurende de procedure informatie gegeven over de kunsthandel van de familie Katz, waarvan hierna een samenvatting wordt gegeven. Nathan en Benjamin Katz leidden sinds 1930 de door hun vader opgerichte kunsthandel Firma D. Katz te Dieren. De familie was van joodse afkomst. Nathan en Benjamin Katz waren de enige firmanten van de kunsthandel. Vanaf 1 mei 1940 werd een filiaal geopend te Den Haag. Op 17 februari 1941 trad de firma in liquidatie om te voorkomen dat het bedrijf als joodse firma in handen zou vallen van de Duitsers. Op 1 juni 1943 werd de firma formeel opgeheven. Om continuering van de zaken mogelijk te maken, werd op 19 mei 1941 de ‘Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz N.V.’ opgericht. Niet-joodse zakenrelaties werden benoemd tot directeuren. Na de oorlog, zo blijkt uit stukken uit het handelsregister, traden deze directeuren af en werd de onderneming voortgezet door Benjamin Katz. De aandelen werden volgens verzoekster toegedeeld aan Benjamin en Nathan Katz (ieder 50%). Verzoekster heeft op basis hiervan gesteld dat Benjamin en Nathan Katz feitelijk de eigenaren waren van Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz N.V. De commissie acht dit aannemelijk. In dit advies worden de Firma D. Katz en de Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz N.V. tezamen ‘de kunsthandel Katz’ genoemd.

  3. Blijkens het Instellingsbesluit van 16 november 2001 heeft de commissie tot taak de minister te adviseren over beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren. De commissie kan alleen tot teruggave adviseren indien “het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken.” De commissie verwijst naar de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit, die ook op kunsthandelzaken van toepassing is en deel uitmaakt van het restitutiebeleid. De vraag of er sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies is pas aan de orde als de eigendomsvraag beantwoord is. Het onderzoek in deze zaak heeft dan ook zich beperkt tot een studie naar de eigendomsrechten op de geclaimde werken.

  4. De commissie dient derhalve te beoordelen of in hoge mate aannemelijk is geworden dat de geclaimde werken op enig moment gedurende de bezetting van Nederland eigendom zijn geweest van de kunsthandel Katz of van Nathan of Benjamin Katz in privé. In dit advies wordt hierna gesproken van ‘de eigendom Katz’. De commissie tekent daarbij aan dat zij de periode waarin Nederland bezet was door de Duitsers (10 mei 1940 - 5 mei 1945) als de relevante periode voor het eigendomsrecht aanmerkt, aangezien de kunsthandel Katz en de gebroeders Katz in Nederland gevestigd waren en dus in die periode onvrijwillig het bezit kunnen hebben verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  5. De commissie heeft verzoekster meermalen verzocht om documentatie te verstrekken waaruit de eigendom Katz van de 34 NK-werken gedurende de bezetting zou blijken. Verzoekster heeft in haar aanvullende reactie van 30 maart 2009, met een beroep op het Amerikaanse bewijsrecht, echter betoogd dat het bewijs van de eigendom niet bij verzoekster zou moeten rusten en dat bij twijfel over de herkomst van schilderijen ten gunste van verzoekster zou moeten worden besloten. Verzoekster is van mening dat de Nederlandse staat verantwoordelijk is voor het verlies van een inventarisboekje van de kunsthandel, ook wel het ‘Blauwe boekje’ genoemd, waarin aan- en verkoopgegevens van voor en tijdens de bezetting zouden zijn opgetekend. Verzoekster meent dit te kunnen afleiden uit enkele processen-verbaal, afkomstig van het archief van het parket van de Procureur-Generaal te ’s-Gravenhage, die zij bij de commissie heeft opgevraagd en bij haar reactie van 22 oktober 2008 in het geding heeft gebracht. Deze processen-verbaal vormen de neerslag van verhoren van diverse personen gedurende een naoorlogs onderzoek naar onregelmatigheden bij de teruggave van kunst door de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aan de kunsthandel Katz.

    Verzoekster stelt:

    The records mention that the notebook, which obviously could be of assistance in identifying works that belonged to the stock of the gallery, went missing when in custody of the Dutch state (“Lost Blue Book”). Since the Dutch government is responsible for the loss of this notebook, it should be argued that any remaining doubts about the origin of the painting should be decided in favor of claimants. (Uit: Aanvullende reactie van 30 maart 2009, hoofdstuk II; zie ook Reactie van 22 oktober 2008, pg 5).

    Ook stelt verzoekster:

    […] it is clear that the loss of the key and most likely sole evidence that was available to answer the evidentiary burden imposed on the Katz family severely prejudices the Katz family from carrying that burden of proof. The Katz family, heirs and Applicants believe that based upon the Government’s loss of the Katz Blue Book, there should be a shifting in the burden of proof that the Katz Heirs are required to meet. The loss of the Katz Blue Book is almost a complete impediment to the meeting of the Dutch Government’s burden of proof and should be acknowledged as such. (Uit: Aanvullende reactie van 30 maart 2009, hoofdstuk V, p. 9/10).

  6. Thans valt niet meer te achterhalen door wiens toedoen het Blauwe boekje is verdwenen. In ieder geval geeft het verlies van het Blauwe boekje geen aanleiding om bij onduidelijke of ontbrekende herkomstgegevens zonder meer ten gunste van verzoekster te beslissen. Een dergelijke vergaande veronderstelling zou in strijd zijn met het restitutiebeleid, zoals onder overweging 3 geciteerd. Daarnaast wijst de commissie erop dat bij herkomstonderzoek van kunstwerken verschillende bronnen zijn te raadplegen, zoals veilingcatalogi, inventarisgegevens van aan- en verkopers, bewaard gebleven facturen, rekeningoverzichten en gegevens die door geallieerden na de oorlog zijn verzameld en thans bewaard worden in onder andere het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit en het Bundesarchiv Koblenz. Dit betekent dat het onderzoek niet afhankelijk is van de beschikbaarheid van het Blauwe boekje. Bovendien beschikken claimanten soms nog over privé-bescheiden, zoals fotoalbums of correspondentie, en in geval van een kunsthandel over zakelijke stukken, zoals een financiële administratie of andere documentatie. Om die reden worden claimanten, in het bijzonder in kunsthandelzaken, gevraagd zelf documentatie aan te leveren met betrekking tot de eigendom en dragen zij in die zin bewijsrisico.

  7. Verzoekster heeft de commissie echter geen informatie verstrekt waaruit de eigendom Katz van de 34 NK-werken gedurende de bezetting blijkt. Dat neemt niet weg dat de commissie in iedere zaak, en dus ook in deze, zelfstandig onderzoek verricht naar de herkomst van geclaimde werken. In casu is het onderzoek van BHG naar de herkomst van de individuele NK-werken daarbij als basis gebruikt; de gebezigde bronnen zijn vermeld in het onderzoeksrapport en de bijlagen. Naar aanleiding daarvan heeft de commissie geconcludeerd dat van 31 NK-werken de eigendom Katz gedurende de bezetting door de Duitsers niet in hoge mate aannemelijk is geworden. Het betreft de volgende werken: NK 1683, NK 1929, NK 1532, NK 1537, NK 1547, NK 1551, NK 1757, NK 2384, NK 2614, NK 2732, NK 1515, NK 1521, NK 1564, NK 1604, NK 1842, NK 2084, NK 2186, NK 2245, NK 2366, NK 2496, NK 2497, NK 2586, NK 2597, NK 2693, NK 2463, NK 1658, NK 2487, NK 1663, NK 1766, NK 2209 en NK 2594.

  8. Ter toelichting dient het volgende:

    Met betrekking tot NK 1683 kwalificeerde BHG in de onderzoeksresultaten de herkomst Katz als ‘zeer onzeker’. Nader onderzoek van de commissie heeft uitgewezen dat op de zogeheten ‘Witte Kaart’, een inventariskaart van de SNK, de herkomstnaam Katz is doorgehaald en vervangen door de naam van een andere kunsthandel, welke naam wordt bevestigd door de overige aangetroffen documentatie. De commissie is daarom van oordeel dat de vermelding van een herkomst Katz op de Witte Kaart berust op een vergissing.

    Met betrekking tot NK 1929 kwalificeerde BHG de herkomst Katz als ‘onzeker’. De commissie heeft na aanvullend onderzoek geconstateerd dat de beschikbare herkomstgegevens dermate gefragmenteerd en tegenstrijdig zijn dat eigendom Katz niet aannemelijk is.

    Voor NK 1532, NK 1537, NK 1547, NK 1551, NK 1757, NK 2384, NK 2614 en NK 2732 geldt dat in de geraadpleegde bronnen aanwijzingen zijn gevonden waaruit kan worden afgeleid dat kunsthandel Katz op een onbekend moment iets met het kunstwerk te maken heeft gehad, zoals een aantekening ‘Katz’ op een in het RKD aangetroffen fotokaart of in een inventarisboek van de SNK. Duidelijke gegevens ontbreken echter. De commissie acht deze gegevens onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat de eigendom Katz gedurende de bezetting in hoge mate aannemelijk is.

    Ten aanzien van de kunstwerken met inventarisnummers NK 1515, NK 1521, NK 1564, NK 1604, NK 1842, NK 2084, NK 2186, NK 2245, NK 2366, NK 2496, NK 2497, NK 2586, NK 2597, NK 2693 en NK 2463 zijn er aanwijzingen gevonden dat deze gedurende de jaren dertig in bezit waren van kunsthandel Katz. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze werken gedurende de bezetting eigendom waren van Katz. Ten aanzien van een overgrote meerderheid van deze werken geldt bovendien dat deze tijdens de bezetting via een andere partij dan Katz in bezit van een Duitse koper zijn geraakt. Ten aanzien van één van de werken in deze groep, NK 2463, blijkt uit de onderzoeksgegevens bovendien dat het schilderij in 1934 en/of 1935 aanwezig was bij kunsthandel Katz maar in 1937 deel uitmaakte van de collectie van de joodse ondernemer Hans Ludwig Larsen, uit wiens nalatenschap het is aangekocht door Adolf Hitlers Sonderauftrag Linz. Voor NK 2463 is de eigendom Katz gedurende de bezetting dus uitgesloten.

    Ten aanzien van NK 1658 en NK 2487 geldt dat deze werken in ieder geval vanaf het midden van de jaren dertig eigendom waren van respectievelijk J.G. Fockema-Vié en haar echtgenoot H.W.J. Fockema te Brussel en tot augustus 1939 respectievelijk juni 1941 in bruikleen waren gegeven aan het Gemeente Museum Arnhem. Beide schilderijen werden in 1941 door of via kunsthandel Katz verkocht aan Adolf Hitlers Sonderauftrag Linz. BHG stelde ten aanzien van NK 1658: ‘Het is waarschijnlijk dat kunsthandel Katz het schilderij in juli 1941 voor mevrouw Fockema - Vié heeft verkocht. Katz heeft meerdere schilderijen uit het bezit van de familie Fockema (o.a. NK 2487), in bruikleen bij het Gemeentemuseum Arnhem, verkocht in Duitsland.’ Ook de commissie is op basis van het feitenonderzoek van oordeel dat kunsthandel Katz bij deze verkoop niet als eigenaar optrad maar als bemiddelaar.

    Bij NK 1663 is naar het oordeel van de commissie eveneens sprake geweest van bemiddeling door Katz. Het schilderij was in 1939 bij kunsthandel Katz en werd vervolgens tijdens de bezetting aangekocht door Hermann Göring, vertegenwoordigd door W.A. Hofer. Uit de documentatie die de geallieerden na de oorlog opstelden, kan worden afgeleid dat het werk op het moment van deze verkoop deel uitmaakte van de collectie van de Almelose kunstverzamelaar H.E. ten Cate, die het werk door bemiddeling van Katz verkocht. BHG vermeldde bij de herkomstgegevens dan ook ‘Katz was als tussenpersoon betrokken bij de verkoop tussen Ten Cate en Hofer’, een conclusie die de commissie deelt.

    En ook ten aanzien van NK 1766 wijst het onderzoek niet op eigendom maar op een bemiddelende rol van Katz. Uit gegevens die na de oorlog door de geallieerden werden opgesteld en thans berusten in het Bundesarchiv Koblenz, kan worden opgemaakt dat dit schilderij op 9 november 1942 door J. de Wit werd verkocht aan de Sonderauftrag Linz. Daarnaast wordt op de zogeheten ‘Witte Kaart’ van de SNK aangegeven dat het schilderij in 1942 afkomstig was van ‘Katz, Dieren’. Op grond van deze gegevens concludeerde BHG ten aanzien van de herkomst: ‘Het is mogelijk dat kunsthandel Katz bemiddeld heeft bij een verkoop door J. de Wit’. De commissie acht het op grond van deze gegevens aannemelijk dat de relatie van Katz tot NK 1766 die was van bemiddelaar, niet eigenaar.

    Met betrekking tot NK 2209 wijst een enkele aantekening op een in het RKD aangetroffen fotokaart op aanwezigheid van dit werk bij kunsthandel Katz op een onbepaald moment in 1940. Van NK 2594 ten slotte is daarnaast bekend dat het op onbekende datum werd aangekocht bij kunsthandel Katz door kunsthandel Esher Surrey te Den Haag, die het werk in september 1940 verkocht aan Adolf Hitlers Sonderauftrag Linz. Omdat echter bij beide werken geen nadere tijdsaanduiding bekend is, noch duidelijk is of Katz als bemiddelaar dan wel als eigenaar optrad, acht de commissie onvoldoende aangetoond dat Katz eigenaar was na het moment van de Duitse inval op 10 mei 1940. Daarbij neemt zij in overweging dat Katz, zoals hierboven gebleken, niet zelden optrad als bemiddelaar bij verkooptransacties, en dat een vermelding van de naam Katz in de herkomstgegevens - of de aanwezigheid van een werk in de gebouwen van de kunsthandel - derhalve niet zonder meer betekent dat Katz als eigenaar van de werken moet worden gezien.

  9. De commissie adviseert de minister het restitutieverzoek voor genoemde 31 NK-werken af te wijzen.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie:
- adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek van S.G.-K. met betrekking tot de volgende werken af te wijzen: NK 1683, NK 1929, NK 1532, NK 1537, NK 1547, NK 1551, NK 1757, NK 2384, NK 2614, NK 2732, NK 1515, NK 1521, NK 1564, NK 1604, NK 1842, NK 2084, NK 2186, NK 2245, NK 2366, NK 2496, NK 2497, NK 2586, NK 2597, NK 2693, NK 2463, NK 1658, NK 2487, NK1663, NK 1766, NK 2209 en NK 2594;
- houdt het verzoek voor het overige aan.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 1 juli 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)    (E. Campfens, secretaris)

Relevante persberichten: