Adelsberger

NK2425 (Foto: RCE)

Advies inzake Adelsberger

Dossiernummer: 
1.91
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
9 maart 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 4 juli 2007 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) een restitutieverzoek tot teruggave van de schilderijen Jupiter besluipt de slapende Antiope in de gedaante van een satyr van H. Goltzius, Berglandschap van A. von Stadler en Landschap van A. von Stadler ter advisering aan de commissie voorgelegd. Deze kunstwerken maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie), respectievelijk onder inventarisnummers NK 2425, NK 3277 en NK 3278. Momenteel bevindt NK 2425 zich in bruikleen bij het Frans Halsmuseum in Haarlem, terwijl NK 3277 en NK 3278 zich in depot bevinden bij het Instituut Collectie Nederland.

DE PROCEDURE

Bij brief van 27 maart 2007 diende mevrouw R.F.-I., te H., Israel (hierna: verzoekster) een restitutieverzoek in bij de minister met betrekking tot de drie genoemde schilderijen. De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een publicatie op de website van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) waarin met betrekking tot de herkomst van NK 2425, NK 3277 en NK 3278 onder andere wordt vermeld: ‘A. Adelsberger (collectie), Nürnberg’. De minister heeft de commissie bij zijn adviesverzoek gevraagd aandacht te besteden aan de ontvankelijkheid van de claim, aangezien ‘op het departement met betrekking tot de ontvankelijkheid serieuze vragen zijn gerezen’. Mede met het oog op een meegezonden memo van prof. dr. R.E.O. Ekkart van 20 juni 2007 begrijpt de commissie de vraag van de minister aldus, dat het bezitsverlies van de thans geclaimde kunstwerken mogelijk al in 1930/31 heeft plaatsgevonden en dat de commissie moet beoordelen of het verzoek om teruggave op grond van het geldende restitutiebeleid in overweging kan worden genomen.
Naar aanleiding van het adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 18 augustus 2008. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 7 oktober 2008 aan de minister verzonden voor feitelijke aanvulling en bij brief van dezelfde datum voor commentaar toegezonden aan verzoekster. Bij brief van 20 november 2008 heeft verzoekster gereageerd op het conceptonderzoeksrapport. Deze reactie bevatte tot dan toe onbekende gegevens, op grond waarvan de ontvankelijkheid van deze claim kon worden vastgesteld. Naar aanleiding van deze gegevens is aanvullend onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn samen met op 27 januari 2009 aan de commissie toegezonden nadere informatie van verzoekster in het conceptonderzoeksrapport verwerkt. Vervolgens is het onderzoeksrapport vastgesteld op 9 maart 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar dit onderzoeksrapport.
Verzoekster heeft zich tijdens de procedure voor de commissie laten vertegenwoordigen door L. Fremy, advocaat te Berlijn, Duitsland.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoekster heeft gesteld een kleindochter en erfgename te zijn van Abraham Adelsberger. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enige documenten inzake de erfrechtelijke positie van verzoekster, naar aanleiding waarvan de commissie geen reden heeft gezien te twijfelen aan deze status van verzoekster. Volgens verzoekster hebben de erven van Abraham Adelsberger de onderhavige schilderijen ten gevolge van het naziregime verloren.

    2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 9 maart 2009 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Abraham Adelsberger (hierna: Adelsberger) werd op 23 april 1863 in Hockenheim, Duitsland, geboren. Hij was gehuwd met Clothilde Reichhold (1872-1954). Het echtpaar was van joodse afkomst. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren: Paul Adelsberger (1894-1973) en Sophie Adelsberger (1897-1983). Adelsberger was een speelgoedfabrikant en woonde met zijn gezin in Neurenberg. Volgens verzoekster had Adelsberger een omvangrijke kunstcollectie.

    3. Verzoekster heeft gesteld dat Adelsberger in Duitsland reeds in 1934 te maken kreeg met anti-joodse maatregelen. In 1937 werd hij gedwongen zijn woning te verkopen en werden twee andere onroerende zaken en zijn speelgoedfabriek ‘geariseerd’. Zoon Paul is vermoedelijk in 1934 naar New York vertrokken, waar hij is gehuwd met Rosalie Weill. Dochter Sophie huwde in 1920 met Alfred Isay, die eveneens van joodse afkomst was. Uit dit huwelijk werd op 28 juni 1921 verzoekster geboren en in 1927 een zoon, Walter. Ook het gezin van Sophie kreeg te maken met de anti-joodse maatregelen van het nazibewind. In februari 1934 emigreerde Sophie en haar gezin naar Nederland, alwaar zij zich in Amsterdam vestigden. In 1939 vertrokken ook Adelsberger en zijn echtgenote naar Nederland, waar zij na aankomst inwoonden bij hun dochter Sophie en schoonzoon Alfred Isay aan de Schubertstraat 66 te Amsterdam. Volgens verzoekster was Adelsberger bij zijn emigratie gedwongen zijn waardevolle bezittingen, waaronder de familiejuwelen, aan de nazi’s af te staan. Het zou Adelsberger echter wel zijn gelukt een aantal schilderijen naar Amsterdam mee te nemen, waarvan er enkele later moesten worden verkocht.

    4. Adelsberger overleed op 24 augustus 1940 in Amsterdam. Zijn dochter Sophie en haar gezin hebben als onderduikers de oorlog overleefd. Zijn weduwe Clothilde werd in 1943 door de Duitsers opgepakt en gedeporteerd naar doorgangskamp Westerbork. Van daaruit werd zij op transport gesteld naar Bergen-Belsen, maar zij wist de oorlog te overleven.

    5. Uit onderzoek is niet gebleken dat de erven Adelsberger na de oorlog contact hebben gehad met de Nederlandse restitutieautoriteiten over de thans geclaimde werken. Onder verwijzing naar de eerste aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit oordeelt de commissie dat hier dan ook geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak.

    6. Op grond van het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen kan tot teruggave worden geadviseerd indien de eigendom in hoge mate aannemelijk is gemaakt en de oorspronkelijke eigenaar het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

    7. Met betrekking tot het kunstwerk NK 2425 zijn de herkomstgegevens niet sluitend. In de herkomstreconstructie van BHG wordt gemeld dat dit schilderij deel uitmaakte van de collectie van Adelsberger, die op 10 augustus 1930 werd geveild bij veilinghuis Hugo Helbing te München, Duitsland. BHG concludeerde dat het schilderij op deze veiling niet werd verkocht. BHG stelde voorts vast dat dit kunstwerk op 11 februari 1941 in handen kwam van kunsthandel D.A. Hoogendijk & Co te Amsterdam. In de herkomstgegevens kwam tevens de naam ‘Jay’ naar voren. Deze naam komt voor op een inventariskaart in het archief van kunsthandel Hoogendijk, waarop is vermeld dat het genoemde kunstwerk afkomstig was van: ‘den heer A. Jay, Schubertstr. 66 Amsterdam’, met de datum: ‘11/2/’41’. Deze vermelding is hoogstwaarschijnlijk een verschrijving van de naam ‘Isay’. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is hiermee Adelsbergers schoonzoon Alfred Isay bedoeld (genoemd in overweging 3), die vanaf 1936 op het genoemde adres stond ingeschreven. De commissie komt op basis van deze onderzoeksinformatie tot de conclusie dat het huidige NK 2425 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is verkocht door Isay op 11 februari 1941.

    8. Uit de geraadpleegde documentatie kan niet worden opgemaakt of het schilderij op het moment van verkoop nog deel uitmaakte van de onverdeelde nalatenschap van de in 1940 overleden Adelsberger of dat het werk inmiddels eigendom was geworden van Isay zelf. Verzoekster heeft hierover opgemerkt:

      ‘Due to the difficult situation for Jews in 1940 and later it was not possible for Abraham Adelberger’s heirs to settle the estate after his death and to divide up the assets. The single items were in the possession of the heirs in Amsterdam who lost them later due to persecution’.

      De commissie acht deze verklaring zeer aannemelijk en stelt zich daarom op het standpunt dat het huidige NK 2425 tot het moment van verkoop behoorde tot Adelsbergers onverdeelde nalatenschap. De commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat in hoge mate aannemelijk is geworden dat NK 2425 tijdens de oorlog, tot 11 februari 1941, eigendom was van de erven Adelsberger.

    9. Over de aard van het bezitsverlies van NK 2425 overweegt de commissie het volgende. Volgens de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001 dienen verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig te worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. De verkoop van dit schilderij vond plaats in Amsterdam op 11 februari 1941 door de erven Adelsberger, particulieren van joodse afkomst. Deze verkoop is naar het oordeel van de commissie als onvrijwillig te beschouwen.

    10. Ten aanzien van de twee andere thans geclaimde kunstwerken NK 3277 en NK 3278 zijn de herkomstgegevens evenmin sluitend. In de door BHG verrichte herkomstreconstructie wordt gesteld dat op de in overweging 7 genoemde veiling van 8 oktober 1930 bij veilinghuis Hugo Helbing in München verschillende werken van A. von Stadler uit de collectie Adelsberger ter veiling werden aangeboden. NK 3277 en NK 3278 komen wat betreft de afbeelding en de afmeting respectievelijk overeen met de werken vermeld in de veilingcatalogus onder nummers 155 en 154. Het is onbekend of de schilderijen op deze veiling ook daadwerkelijk zijn verkocht. Van de eventuele kopers is in elk geval geen naam bekend. Uit onderzoek is voorts gebleken dat deze twee kunstwerken op 13 november 1941 door een zekere Weinberg zijn verkocht aan Kunsthandel N.V. voorheen Kunsthandel J. Goudstikker (Goudstikker/Miedl). Het onderzoek heeft geen nader licht kunnen werpen op de gebeurtenissen met betrekking tot deze schilderijen tijdens de oorlog. Verzoekster heeft in dit kader het volgende gesteld:

      ‘Regarding the two paintings by Toni von Stadler (NK 3277 and NK 3278) no further evidence was found. As both paintings appeared in 1941 in Amsterdam, it has to be concluded that Abraham Adelsberger also managed to take these paintings with him to Amsterdam and that the paintings were sold to finance the subsistence of the family’.

    11. Met betrekking tot deze stelling van verzoekster overweegt de commissie als volgt. Het is mogelijk dat Adelsberger of diens erven de onderhavige werken in Amsterdam hebben verkocht. Het is echter evenzeer mogelijk dat deze schilderijen door Adelsberger al in 1930 vrijwillig zijn verkocht op de bovengemelde veiling bij Hugo Helbing, of in de jaren daarna. De commissie oordeelt dat bij deze stand van het onderzoek, en bij uitblijven van nieuwe informatie over het bezitsverlies van NK 3277 en NK 3278, onvoldoende grond aanwezig is om verzoekster te kunnen volgen in haar stelling dat de kunstwerken tijdens de oorlog in Amsterdam zijn verkocht ten behoeve van Adelsberger en/of zijn familie. Derhalve kan de commissie ten aanzien van NK 3277 en NK 3278 thans niet aannemen dat Adelsberger of diens erven onvrijwillig bezitsverlies hebben geleden door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

    CONCLUSIE

      De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij H. Goltzius, Jupiter besluipt de slapende Antiope in de gedaante van een satyr (NK 2425) te restitueren aan de erven van Abraham Adelsberger.

      De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek om teruggave van de schilderijen A. von Stadler, Berglandschap (NK 3277) en A. von Stadler, Landschap (NK 3278) af te wijzen.

      Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 maart 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

      (W.J.M. Davids, voorzitter)   (E. Campfens, secretaris)