Hollander

NK2569 (Foto: Rijksmuseum Amsterdam)

Advies inzake Hollander

Dossiernummer: 
1.97
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
12 oktober 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de commissie om advies gevraagd over een restitutieverzoek met betrekking tot de aquarel Paarden bij een stal van W. Verschuur II, die zich thans in de Rijkscollectie bevindt onder inventarisnummer NK 2569. Het betreft een kunstwerk dat mogelijk heeft behoord tot het bezit van Eduard Hollander (1897-1944, hierna ook: Hollander) en dat na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland naar Nederland is gerecupereerd. Het kunstwerk bevindt zich als bruikleen in het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum te Amsterdam.

DE PROCEDURE

In juni 2007 diende J.C.M.-F. te B. (VS) mede namens haar broer J.M. (hierna ook: verzoekers) een restitutieverzoek in bij de minister als ‘heir[s] of Eduard Hollander’. In haar brief verwijst zij naar correspondentie met Bureau Herkomst Gezocht (BHG). Het restitutieverzoek is gegrond op de aanwijzingen van BHG dat het huidige NK 2569 tot het bezit van hun grootvader Eduard Hollander (1897-1944) heeft behoord en dat het kunstwerk tijdens de oorlog mogelijk onvrijwillig uit diens bezit is geraakt.
In het kader van het aan haar voorgelegde adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek uitgevoerd naar de feiten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het conceptonderzoeksrapport van 8 juni 2009. Dit conceptonderzoeksrapport is op 26 juni 2009 ter commentaar toegezonden aan verzoekers en is tevens voor aanvullend feitenmateriaal toegestuurd aan de minister. De minister heeft hierop op 23 juli 2009 laten weten geen aanvullend feitenmateriaal onder de aandacht te brengen. Verzoekers hebben, ook na herhaalde uitnodiging bij brief van 25 augustus 2009, niet gereageerd. De commissie gaat er daarom van uit dat verzoekers geen commentaar aan haar ter kennis willen brengen. De commissie heeft het onderzoeksrapport vervolgens vastgesteld op 12 oktober 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar dit onderzoeksrapport.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoekers hebben teruggave gevraagd van de aquarel Paarden bij een stal van W. Verschuur II (NK 2569). M.-F. heeft verklaard dat zij en haar broer J.M. erfgenamen van Hollander zijn. Verzoekers hebben verklaard dat hun moeder, Anna Elisabeth Hollander-Marinissen (1926-2000), het enig kind was uit het eerste huwelijk van Hollander. Dit huwelijk, met Marion Clara Johanna Cats (1899-1943), duurde tot 1934 en eindigde in een scheiding. In 1938 trad Hollander opnieuw in het huwelijk, ditmaal met Louise Marie Hortense Emmanuel van den Berg (1905-1996).

    2. De commissie heeft onderzocht of sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak. Haar zijn in dit verband geen uitspraken bekend geworden van de Raad voor het Rechtsherstel of andere bevoegde rechterlijke instanties over het voormalig kunstbezit van Hollander. Ook is haar niet gebleken dat de erfgenamen van Hollander afstand hebben gedaan van hun vorderingsrechten. De commissie verklaart verzoekers om deze redenen ontvankelijk in hun restitutieverzoek.

    3. De relevante feiten zijn beschreven in het onderzoeksrapport van 12 oktober 2009. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Hollander was een Nederlandse advocaat van joodse afkomst uit Den Haag, die in 1944 is omgekomen te Auschwitz. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Hollander verschillende keren kunst te koop aangeboden en/of verkocht aan de Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V. te Amsterdam onder leiding van de Duitser Alois Miedl. Uit de administratie van de Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V. kan worden afgeleid dat Hollander de aquarel naar alle waarschijnlijkheid omstreeks 31 oktober 1940 aan deze kunsthandel heeft verkocht voor een bedrag van NLG 450,-. Volgens genoemde administratie is de aquarel vervolgens op 25 augustus 1943 verkocht aan ‘Breidenbacherhof’ te Düsseldorf. Voor zover bekend hebben de nabestaanden van Hollander de aquarel na de oorlog niet als vermist opgegeven bij de Nederlandse autoriteiten.

    4. Op grond van de regels inzake particulier kunstbezit kan tot teruggave worden overgegaan indien de oorspronkelijke eigenaar van het geclaimde voorwerp onvrijwillig het bezit heeft verloren, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Blijkens de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001 dient het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk te zijn en mogen er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Voor particulieren die behoren tot een vervolgde bevolkingsgroep geldt dat de verkoop van een object in Nederland in de periode 10 mei 1940 - 5 mei 1945 wordt beschouwd als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.

    5. De commissie overweegt over het eigendomsrecht ten aanzien van het thans geclaimde werk NK 2569 het volgende. Hoewel onbekend is wanneer en op welke wijze Hollander dit werk in zijn bezit heeft gekregen, acht de commissie aangetoond dat hij het werk in ieder geval op 31 oktober 1940 in eigendom heeft gehad. De commissie baseert zich hiervoor op een brief van Hollander van die datum waarin hij spreekt van de verkoop van de aquarel aan de Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V. tegen een verkoopbedrag van NLG 450,-, alsmede op een op 8 november 1940 gedateerde factuur en een inschrijving van de verkoopdetails in de boekhouding van genoemde kunsthandel onder de datum 9 november 1940.

    6. Met betrekking tot de aard van dit bezitsverlies overweegt de commissie het volgende. Aangezien Hollander als jood tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde en de verkoop van het thans geclaimde werk moet worden geplaatst omstreeks 31 oktober 1940, moet worden aangenomen dat het een gedwongen verkoop betrof. Hiermee staat vast dat Hollander als de oorspronkelijke eigenaar het bezit van het huidige werk NK 2569 onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Er zijn in het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die deze vaststelling tegenspreken.

    7. De commissie acht hiermee aan alle gronden voor restitutie voldaan.

      De commissie ziet daarbij geen aanleiding om tegenover restitutie te adviseren tot terugbetaling van de destijds ontvangen tegenprestatie van NLG 450,-. Terugbetaling van de verkoopopbrengst dient conform de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001 alleen in het geding te worden gebracht indien deze daadwerkelijk ter vrije beschikking van de verkoper is gekomen, waarbij in het geval van twijfel de vorige eigenaar het voordeel van de twijfel dient te worden gegund.

      De commissie overweegt hieromtrent, bij gebrek aan nadere gegevens, het volgende. Hollander bevond zich als jood in door de nazi’s bezet gebied in een bedreigde positie en is in 1943 opgepakt en gedeporteerd naar kamp Auschwitz, waar hij in 1944 is omgekomen. De commissie acht het aannemelijk dat Hollander de in 1940 gecrediteerde verkoopopbrengst heeft moeten aanwenden voor maatregelen om aan de nazivervolging te ontkomen. De commissie acht het derhalve onaannemelijk dat het bedrag ter vrije beschikking van Hollander is gekomen in de zin van het restitutiebeleid.

    CONCLUSIE

      De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de aquarel Paarden bij een stal van W. Verschuur II (NK 2569) te restitueren aan de erfgenamen van Eduard Hollander.

      Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 oktober 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

      (W.J.M. Davids, voorzitter)     (E. Campfens, secretaris)