Allegorie op de herfst van Jacob de Wit (Gutmann/Provincie Drenthe)

Interieur van Huize Bosbeek met boven de deur de grisaille, ca. 1928. Foto: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Bindend advies inzake het geschil over teruggave van de grisaille Allegorie op de herfst van Jacob de Wit uit het bezit van F.B.E. Gutmann, thans in bezit van de Provincie Drenthe

Dossiernummer: 
3.129
Soort advies: 
Bindend advies
Adviesdatum: 
3 september 2012
Periode bezitsverlies: 
na 1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bindend advies

in het geschil tussen:

S.G., N.G. en L.V.G.
te Beverly Hills (V.S.), Valley Village (V.S.) respectievelijk Florence (Italië)
vertegenwoordigd door S.G.
(hierna ook: verzoekers),

en:

De Provincie Drenthe,
vertegenwoordigd door het Drents Museum
te Assen
(hierna ook: het Museum),

gegeven door de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog te Den Haag (de Restitutiecommissie), verder te noemen: de commissie.

1. Het geschil

Friedrich Bernhard Eugen Gutmann (1886-1944) (hierna ook: Fritz Gutmann) en zijn echtgenote L(o)uise Erika von Landau (1892-1944) hebben een grisaille getiteld Allegorie op de herfst in eigendom gehad. Dit kunstwerk, thans in het bezit van de Provincie Drenthe, is in of omstreeks 1751 door de kunstenaar Jacob de Wit vervaardigd als deurstuk voor boven de toegangsdeur van de salon van het landhuis Huize Bosbeek te Heemstede. De grisaille is op enig moment losgehaald van zijn plaats boven de deur in het landhuis - op welk moment dat is gebeurd, vormt onderwerp van het onderzoek door de commissie - en is in 1964 aangekocht door de Provincie Drenthe. Thans bevindt het zich onder inventarisnummer P1964-4 in de collectie van het Drents Museum. Verzoekers zijn gerechtigd tot de nalatenschap van Fritz Gutmann en maken aanspraak op restitutie van de grisaille wegens de door hen gestelde onvrijwilligheid van het bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Het Museum heeft verzoekers medegedeeld dat ‘the painting was […] not illegally obtained from your family’.

2. De procedure

Partijen hebben een gezamenlijk verzoek gericht aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook: de staatssecretaris) teneinde hun geschil te laten beslechten door de commissie. Hierop heeft de staatssecretaris de commissie bij brief van 16 september 2011 verzocht om in het geschil advies uit te brengen aan partijen in het kader van artikel 2 lid 2 van het Instellingsbesluit van 16 november 2001 (hierna: het Instellingsbesluit). Bij brieven van dezelfde datum stelde de staatssecretaris partijen op de hoogte van zijn adviesverzoek aan de commissie, waarbij hij benadrukte dat zijn tussenkomst is ingegeven door pragmatische redenen, en dat de Staat op geen enkel tijdstip partij in het geschil wordt.

Partijen hebben schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het door de commissie vastgestelde ‘Reglement inzake bindend adviesprocedure’, en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden, het Museum bij brief van 18 oktober 2011 en verzoekers bij brief van 21 november 2011. De commissie heeft de identiteit van partijen geverifieerd. Zij heeft van het Museum een volmacht ontvangen waaruit blijkt dat het Museum bevoegd is in deze procedure voor de Provincie Drenthe op te treden. Verzoekers hebben een notariële verklaring van erfrecht overgelegd, waaruit blijkt dat zij gerechtigd zijn tot de nalatenschap van Fritz Gutmann. Daarnaast heeft de commissie van S.G. een volmacht ontvangen waaruit blijkt dat hij in deze procedure verzoekers vertegenwoordigt.

De commissie heeft kennis genomen van alle door partijen overgelegde stukken en heeft daarnaast zelfstandig nader onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn voorgelegd aan partijen bij brieven van 22 maart 2012. Partijen hebben hierop beiden bij brief van 29 april 2012 gereageerd. De relevante gegevens uit het onderzoek en uit de reacties van partijen zijn in dit advies verwerkt.

3. De feiten

In deze procedure kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

3.1. Fritz Gutmann was een uit Duitsland afkomstige bankier en kunstverzamelaar van joodse afkomst die zich in 1918 in Nederland vestigde. Hij was een van de zeven kinderen van Eugen Gutmann, de medeoprichter van de in 1872 gevestigde Dresdner Bank AG te Dresden. Fritz Gutmann verkreeg in 1924 de Nederlandse nationaliteit. Hij woonde vanaf 1924 met zijn gezin op het landgoed Bosbeek bij Heemstede (hierna ook: Huize Bosbeek), waar hij een omvangrijke kunstcollectie bijeenbracht. De dreigende internationale situatie bracht het echtpaar Gutmann-Von Landau ertoe vanaf 1939 zoveel mogelijk van hun kunstwerken te verkopen of naar het buitenland over te brengen. Zo verkocht Fritz Gutmann tijdens de bezetting van Nederland bij drie transacties een groot aantal kunstvoorwerpen aan de Duitse kunsthandelaren Böhler en Haberstock. Op 26 mei 1943 is het echtpaar Gutmann-Von Landau onder begeleiding van de S.S. uit Huize Bosbeek vertrokken met bestemming Berlijn, waarbij hun werd voorgespiegeld dat de reis daarna ‘nach dem Süden’ (mogelijk Italië) zou worden voortgezet. Zij werden echter overgebracht naar het concentratiekamp Theresiënstadt, waar Fritz Gutmann in 1944 om het leven is gebracht. Zijn echtgenote is in datzelfde jaar in Auschwitz omgebracht. De twee kinderen van het echtpaar, Bernhard Eugen Friedrich Wilhelm Gutmann (later: Bernard Goodman, 1914-1994) en L.V.G. (geb. 1919, één van de verzoekers), overleefden de oorlog. Zij hebben zich na de oorlog jarenlang ingespannen voor het vinden en terugverkrijgen van het verdwenen familiebezit.

3.2. De kunstschilder Jacob de Wit kreeg in 1751 de opdracht tot het verfraaien van de salon ofwel de grote kamer van Huize Bosbeek te Heemstede. Naast een plafondschildering met een voorstelling van Bacchus en Ceres op de wolken, vervaardigde hij de thans geclaimde grisaille als deurstuk voor boven de toegangsdeur van de salon. De plafondschildering is thans nog aanwezig in Huize Bosbeek, in tegenstelling tot het deurstuk, dat op enig moment uit de wandbetimmering is losgemaakt.

3.3. Huize Bosbeek was tijdens de Tweede Wereldoorlog (tot aan de confiscatie door de nazi's) eigendom van Fritz Gutmann. Verzoekers hebben met betrekking tot de grisaille gewezen op een inventarislijst behorend bij een koopcontract van 24 maart 1942 waarbij Fritz Gutmann een hoeveelheid genummerde kunstvoorwerpen verkocht aan Böhler en Haberstock. Op deze lijst komen, onder de kop ‘Grosser Saal’, onder nummer 64, de voorwerpen ‘1 grosses Deckengemälde von De Wit’ en ‘1 Grisaille von De Wit’ voor. Achter het eerstgenoemde voorwerp is met de hand aangetekend ‘gestr. lt. Bf 5/10/42’. Achter het laatstgenoemde voorwerp, dat waarschijnlijk het thans geclaimde kunstwerk betreft, is geschreven ‘da, soll zurück’. Ook is het nummer 64 met de hand doorgestreept. In een ander document dat betrekking heeft op het koopcontract van 24 maart 1942 wordt over nummer 64 van de lijst vermeld: ‘Gestrichen von der Liste’. Dit duidt erop dat de betwiste grisaille in 1942 uiteindelijk niet aan Böhler en Haberstock is verkocht.

3.4. Documentatie uit het archief van advocaat K.F. Mannheimer in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) biedt aanwijzingen dat de thans geclaimde grisaille ten tijde van het vertrek van het echtpaar Gutmann-Von Landau uit Nederland op 26 mei 1943 nog aanwezig was in Huize Bosbeek. Mannheimer vertegenwoordigde Bernard Goodman en L.V.G. na de oorlog bij schadevergoedingsprocedures in Duitsland. Op 29 november 1957 stuurde L.V.G. hem in dit kader onder meer 'verschillende brieven van de heer Westerbeek, die destijds bij mijn vader op kantoor was'. In een brief van 1 oktober 1945 verklaarde J.E. Westerbeek dat hij sinds 1942 verbonden was aan de N.V. Trust & Administratie Maatschappij (Trustenad) te Amsterdam - dit was een vennootschap die in 1921 was opgericht om de zakelijke belangen van Fritz Gutmann en zijn broers en zusters te behartigen -, waardoor hij in nauw contact kwam te staan met het echtpaar Gutmann-Von Landau. Daarnaast vermeldde Westerbeek in zijn brief dat hij het er, na het vertrek van het echtpaar Gutmann-Von Landau naar Berlijn op 26 mei 1943, op had gewaagd om ‘de Grisaille en de plafondschildering in de Grote Zaal van de gebr. van Eyck’ uit Huize Bosbeek weg te halen. Hij zou dit hebben gedaan uit vrees dat deze kunstwerken anders uit de woning zouden worden ‘weggesleept’. Naar de commissie aanneemt, vergiste Westerbeek zich in de kunstenaarstoeschrijving en betreft de door hem genoemde grisaille het thans geclaimde kunstwerk. Westerbeek beschreef in zijn brief van 1 oktober 1945 tevens dat hij bij de verwijdering van de plafondschildering en de grisaille gestoord werd door ‘een der hoogste figuren van de N.S.V. [National Sozialistische Volkswohlfahrt, RC]’, waarna de plafondschildering weer moest worden aangebracht. Over de toestand van Huize Bosbeek na de bevrijding berichtte Westerbeek in zijn brief onder meer dat de ‘beschilderingen van de Gebr. van Eyck’ nog aanwezig waren.

3.5. Op 11 augustus 1941 vaardigde de bezetter Verordening 154/1941 uit, waarin regelingen werden getroffen voor de liquidatie van joods onroerend goed en hypotheken. Op grond van deze verordening moesten alle joodse onroerende goederen en hypotheken worden aangemeld bij de Niederländische Grundstückverwaltung (NGV), die het beheer van deze goederen op zich nam. De huuropbrengsten en verkoopsommen werden na controle door de Vermögensverwaltung- und Rentenanstalt (VVRA) naar de Liro-bank overgemaakt. Huize Bosbeek kwam op 6 augustus 1942 onder beheer van de NGV. Op 14 februari 1944 verkocht de NGV het landgoed voor NLG 135.000,- aan de National Sozialistische Volkswohlfahrt eingetragener Verein (NSV) te Berlijn. Van de koopprijs is een bedrag van NLG 65.000,- besteed ter aflossing van een op de onroerende goederen rustende krediethypotheek ten behoeve van de Trustenad te Amsterdam. In documentatie uit het Nationaal Archief betreffende (het naoorlogse beheer over de vermogens van) de NGV en de NSV heeft de commissie geen specifieke informatie over de grisaille aangetroffen.

3.6. In een dagrapport van 4 juni 1945 van de Gemeentepolitie Haarlem, aanwezig in het Noord-Hollands Archief, wordt vermeld dat Huize Bosbeek zich in een verwaarloosde toestand bevond en dat de wand- en plafondschilderingen waren verdwenen. Een nadere specificatie van de verdwenen schilderingen wordt niet gegeven. De brief van Westerbeek aan L.V.G. van 1 oktober 1945, hiervoor onder 4 beschreven, biedt echter een aanwijzing dat de thans geclaimde grisaille zich na de oorlog nog in Huize Bosbeek bevond. Westerbeek beschrijft in deze brief onder meer het lot van ‘de Grisaille en de plafondschildering in de Grote Zaal’ tijdens de oorlog (waarbij hij deze kunstwerken, naar de commissie aanneemt abusievelijk, toeschrijft aan ‘de gebr. van Eyck’ in plaats van De Wit). Vervolgens schrijft hij: ‘Het huis is er niet beter op geworden, is n.l. flink verwaarloosd, evenals de tuin. De beschilderingen van de Gebr. van Eyck zijn nog aanwezig’. In een brief van Westerbeek aan L.V.G. van 17 november 1945 verwijst hij naar ‘Uw schrijven van 14 October’. Laatstgenoemde brief van L.V.G. (waarvan de inhoud de commissie niet bekend is) is waarschijnlijk een antwoord op de brief van Westerbeek van 1 oktober 1945.

3.7. In een samenvatting van een dagrapport van Gemeentepolitie Haarlem uit juli 1945 wordt opgemerkt dat in Huize Bosbeek op dat moment een internaat was gevestigd voor kinderen van NSB-ouders. Deze opvang zou enige jaren hebben geduurd. De erfgenamen van Fritz Gutmann zijn op 5 mei 1945 (formeel) in het beheer van Huize Bosbeek hersteld. Tezamen met Trustenad (de vennootschap waarin bepaalde belangen van de familie Gutmann waren ondergebracht, zie onder 4) hebben zij zich vervolgens ingespannen om in hun eigendomsrechten met betrekking tot het landgoed te worden hersteld. De Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel overwoog in haar vonnis van 7 januari 1950 dat de vorderingen van partij Gutmann en Trustenad, behoudens enkele ondergeschikte punten, toegewezen konden worden en herstelde hen in de eigendomsrechten van het landgoed. De rechtsherstelrechter verklaarde hiertoe de overeenkomst waarbij de NGV Huize Bosbeek aan de NSV had verkocht nietig, evenals de aflossing van de hypothecaire vordering van de Trustenad en het door de Treuhänder van Trustenad verleende royement van de hypotheek. In het vonnis wordt tevens vermeld dat tussen partijen is overeengekomen ‘dat de N.S.V. “ter algehele verrekening van huren en lasten zomede van tijdens de bezetting aan het onroerend goed toegebrachte schade” aan partij Gutmann zal betalen een bedrag van f. 19.669,48’. Bij het onderzoek is geen verwijzing gevonden naar (een post die specifiek betrekking had op) de thans geclaimde grisaille.

3.8. Op 29 december 1950 verkochten de erfgenamen van Fritz Gutmann Huize Bosbeek vervolgens aan de Sint Hiëronymus Aemilianus Stichting te Amsterdam (Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid). In de koopakte wordt geen afzonderlijke melding gemaakt van de grisaille of de plafondschildering van De Wit, en evenmin van andere voor Huize Bosbeek bestemde kunstwerken.

3.9. In het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bevindt zich een notitie van 26 maart 1954 van D.F. Lunsingh Scheurleer, Rijksinspecteur voor roerende monumenten, waaruit kan worden afgeleid dat tijdens de inspectie de grisaille in de kelder van Huize Bosbeek werd aangetroffen. Volgens Lunsingh Scheurleer was het kunstwerk zwaar beschadigd, maar zou het bij onmiddellijke restauratie nog gered kunnen worden. Kennelijk hebben de Zusters van de Voorzienigheid daarop de grisaille, via Lunsingh Scheurleer, overgedragen aan de Nederlandse Staat.

3.10. Blijkens documentatie uit de archieven van de RCE en het Museum is de thans geclaimde grisaille in de jaren vijftig door de Dienst voor ’s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen in Den Haag (DRVK) in bruikleen gegeven aan het Provinciaal Museum van Drenthe. In 1964 heeft de Provincie Drenthe het thans geclaimde kunstwerk uiteindelijk gekocht van de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het betreffende museum en het Ontvangershuis te Assen. Het aankoopbedrag van de grisaille was NLG 800,-.

3.11. Bij brief van 7 mei 2010 zond de Holocaust Claims Processing Office te New York het Museum een brief door van verzoekers van 5 mei 2010. Hierin lieten verzoekers weten prijs te stellen op een voorstel van het Museum voor de teruggave van het kunstwerk aan hen als rechtmatige eigenaren. De vervolgcorrespondentie tussen het Museum en verzoekers heeft in augustus 2011 geleid tot een gezamenlijk verzoek om bindend advies aan de commissie.

4. Het standpunt van verzoekers

Verzoekers verklaren dat L.V.G. (een van verzoekers) tot de aanvang van de Tweede Wereldoorlog in Huize Bosbeek heeft gewoond, en dat zij zich de grisaille boven de toegangsdeur van de salon goed herinnert. Verzoekers stellen dat het echtpaar Gutmann-Von Landau het bezit van het thans geclaimde kunstwerk heeft verloren toen zij op 26 mei 1943 werden weggevoerd door de bezetter, en dat dit bezitsverlies een direct gevolg was van de nazi-bezetting van Nederland. Zij stellen zich op het standpunt dat de grisaille bij de verkoop van Huize Bosbeek in 1950 niet als onderdeel van het onroerend goed werd beschouwd, en dat de bij deze verkoop betrokken partijen ervan uitgingen dat het betreffende kunstwerk niet meer aanwezig was. In dit kader stellen verzoekers onder meer dat:
- Bernard Goodman zijn familie na een bezoek aan Huize Bosbeek in november 1945 heeft laten weten dat er geen eigendommen van zijn ouders meer in het huis aanwezig waren, en dat slechts de kale muren resteerden;
- kinderen van NSB’ers, die na de oorlog gehuisvest waren in Huize Bosbeek, hebben verklaard dat bij hun komst in Huize Bosbeek slechts de ‘boilers and brooms in the basement’ niet waren gestolen of vernietigd tijdens de oorlog;
- de grisaille niet wordt vermeld in de koopakte van Huize Bosbeek uit 1950;
- mgr. J.A.A. Starrenburg, priester-directeur van de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid, meende dat de grisaille was gestolen door de Duitsers en heeft verklaard dat het kunstwerk niet aanwezig was in Huize Bosbeek;
- de grisaille verborgen was in de kelder en pas in 1954 werd ontdekt door de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid;
- de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid de grisaille, ondanks de aankoop van Huize Bosbeek in 1950, niet als haar eigendom beschouwde, maar heeft overgedragen aan de DRVK.

Voorts stellen verzoekers dat de grisaille niet kan worden beschouwd als onderdeel van het onroerend goed van Huize Bosbeek, aangezien het kunstwerk kon worden, en ook daadwerkelijk is, verplaatst. Volgens S.G. ging zijn familie er, tot het moment dat hij de grisaille in 2010 in het Museum ontdekte, vanuit dat dit kunstwerk door de bezetter was geroofd. Verzoekers wijzen erop dat het hun, in de 65 jaar dat zij te maken hebben gehad met de Nederlandse autoriteiten, nimmer bekend is gemaakt dat deze in het bezit waren van de grisaille. De Rijksinspecteur voor roerende monumenten zou op de hoogte zijn geweest van het feit dat de grisaille deel uitmaakte van de collectie Gutmann, maar zou geen pogingen in het werk hebben gesteld om de familie hierover in te lichten of om compensatie aan te bieden. Ook de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid heeft naar mededeling van verzoekers, na de ontdekking van het kunstwerk, geen pogingen gedaan om de grisaille aan de familie Gutmann te restitueren.

Ten aanzien van de hiervoor vermelde brief van J.E. Westerbeek van 1 oktober 1945 stellen verzoekers onder meer dat deze waarschijnlijk vooral uit eigenbelang zal zijn geschreven, en dat aan de geloofwaardigheid ervan getwijfeld kan worden. Voorts is het volgens verzoekers onduidelijk of de brief daadwerkelijk is verstuurd. Naar mededeling van S.G. vertelde zijn tante L.V.G. hem in een telefoongesprek dat zij zich niet kon herinneren deze brief te hebben ontvangen. Zijn tante zou hem tevens hebben laten weten dat de grisaille niet ter sprake is gekomen toen zij Westerbeek in 1946 heeft ontmoet.

Voorts hebben verzoekers de juridische positie van het Museum in twijfel getrokken en gesteld dat het eigendomsrecht van het Museum niet onaantastbaar is.

5. Het standpunt van het Museum

Het Museum verklaart dat de grisaille nog aanwezig was in Huize Bosbeek toen dit pand in 1950 door de erven Fritz Gutmann werd verkocht aan de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid, en dat het - evenals de plafondschildering van Jacob de Wit - destijds beschouwd werd als onderdeel van het onroerend goed. Het Museum stelt zich op het standpunt dat het schilderij legaal door het Rijk is verworven van de Congregatie van de Zusters van de Voorzienigheid, en dat het vervolgens in 1964 legaal en te goeder trouw van het Rijk is aangekocht. Het Museum heeft de commissie laten weten dat het de Staat aansprakelijk zal stellen voor het verlies van de grisaille, indien wordt besloten tot teruggave van dit kunstwerk.

Het Museum verklaart dat onbekend is of, voorafgaand aan de verkrijging van het thans geclaimde kunstwerk, herkomstonderzoek is verricht.

Over het belang van het kunstwerk voor de eigenaar/beheerder van de grisaille verklaart het Museum dat het kunstwerk deel uitmaakt van de vaste opstelling. Het kunstwerk hangt thans in een stijlkamer van het Ontvangershuis, één van de gebouwen van het Museum, waar het is ingebouwd boven een deur.

6. De taak van de commissie

Op grond van artikel 2 lid 2 van het Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak op verzoek van partijen advies aan hen uit te brengen over geschillen over teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. Conform artikel 2 lid 5 van het Instellingsbesluit adviseert de commissie naar redelijkheid en billijkheid. Dit advies is een bindend advies in de zin van art. 7: 900 Burgerlijk Wetboek.

7. Beoordeling van het geschil

7.1. De commissie stelt voorop dat zij, conform artikel 3 van het Reglement inzake bindend adviesprocedure, bij haar advisering in ieder geval in haar overwegingen kan betrekken de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan, de mate waarin de partij die om teruggave verzoekt zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, alsmede het tijdstip en de omstandigheden van de verwerving van het bezit door de huidige bezitter en het door hem verrichte onderzoek voor de verwerving. Daarnaast kan het onderscheidenlijke belang van het werk voor de beide partijen en van het openbaar kunstbezit in de overweging worden betrokken. De internationaal en nationaal aanvaarde beginselen, zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst, kunnen in de overweging worden betrokken voor zover zij naar de opvatting van de commissie in het concrete geval van overeenkomstige toepassing zijn.

7.2. De commissie heeft zich ervan vergewist dat het geschil tussen verzoekers en het Museum niet reeds definitief is afgehandeld. Zo is de commissie niet gebleken van een rechterlijke procedure of van een rechterlijke uitspraak inzake het onderhavige geschil. Evenmin hebben verzoekers eerder uitdrukkelijk afstand gedaan van hun rechten op de grisaille. De commissie acht partijen derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

7.3. Zoals hierboven vermeld hebben verzoekers gesteld dat het eigendomsrecht van het Museum niet onaantastbaar is. Zo stelden zij ondermeer dat: ‘There is no provision under common law to justify the Dutch State’s assumption of ‘good title’ […]’ en: ‘Accordingly ‘good title’ was not transferred to the Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten nor ultimately to the Drents Museum’. De commissie verwerpt dit betoog, wat er ook zij van de juistheid daarvan, omdat het Nederlandse rechtsstelsel uitgaat van andere beginselen dan die van de common law. Naar Nederlands recht moet worden aangenomen dat het Museum (de Provincie Drenthe) thans eigenaar is van de grisaille.

7.4. De commissie merkt allereerst op dat deze zaak zich toespitst op de vraag op welk moment en op welke wijze het onderhavige kunstwerk definitief uit het bezit van de familie Gutmann is geraakt. De overige onder overweging 1 genoemde omstandigheden behoeven hier niet aan de orde te komen, indien het bezitsverlies niet onvrijwillig blijkt te zijn, als gevolg van omstandigheden die verband houden met het naziregime.
Uit het onderzoek is duidelijk geworden dat het deurstuk Allegorie op de herfst tijdens de bezetting in bezit was van Fritz Gutmann, als bestanddeel van Huize Bosbeek, en dat het landgoed in 1942 door de bezettingsautoriteiten in beheer is genomen en vervolgens in 1944 is verkocht en geleverd aan een nazi-instelling, de NSV.
Verzoekers hebben gesteld dat de grisaille tijdens de bezetting is losgemaakt en dat het niet duidelijk is waar deze zich tussen 1942 en 1954 bevond. De commissie wijst er echter op dat uit de onderzoeksgegevens kan worden opgemaakt dat de grisaille, na te zijn losgemaakt, in het huis aanwezig is gebleven.
Het staat vast dat de Raad voor het Rechtsherstel bij vonnis van 7 januari 1950 de verkoop en levering van Huize Bosbeek aan de NSV heeft vernietigd, waarmee de erven Gutmann na de oorlog in hun recht van eigendom ten aanzien van Huize Bosbeek werden hersteld. De erven Gutmann kwamen daarmee tevens weer in bezit van de zich nog altijd in het huis bevindende grisaille.
Blijkens een notariële akte van levering hebben de erven Gutmann Huize Bosbeek op 29 december 1950 overgedragen aan de Sint Hieronymus Aemilius Stichting. Verzoekers hebben ten aanzien van deze overdracht gesteld dat de erven er daarbij vanuit gingen dat het kunstwerk verloren was gegaan. De commissie wijst er echter op dat uit de brief van Westerbeek aan L.V.G. van 1 oktober 1945 kan worden afgeleid dat de erven Gutmann op de hoogte waren, dan wel redelijkerwijs hadden kunnen zijn, van het feit dat de grisaille destijds nog in het huis aanwezig was.
De commissie maakt hieruit op dat de erven Gutmann het bezit van de grisaille vijf jaar na de bevrijding hebben verloren met de verkoop van Huize Bosbeek aan de Sint Hieronymus Aemilius Stichting op 29 december 1950.

7.5. De commissie is naar redelijkheid en billijkheid van oordeel dat het Museum de grisaille Allegorie op de herfst van Jacob de Wit niet hoeft terug te geven aan verzoekers. Daarbij neemt de commissie in aanmerking:
- dat het in hoge mate aannemelijk is geworden dat de grisaille zich na de bevrijding nog in Huize Bosbeek bevond (waarschijnlijk in de kelder);
- dat moet worden aangenomen dat de erven van Fritz Gutmann hiervan op de hoogte waren, althans redelijkerwijs hiervan op de hoogte hadden kunnen zijn;
- dat de erven van Fritz Gutmann door de rechtsherstelrechter in 1950 zijn hersteld in hun rechten ten aanzien van Huize Bosbeek, waarmee zij de daar aanwezige grisaille weer in hun bezit kregen;
- dat de familie Gutmann het bezit van de grisaille uiteindelijk heeft verloren door de overdracht van Huize Bosbeek aan de Sint Hieronymus Aemilius Stichting op 29 december 1950;
- dat dit bezitsverlies niet is aan te merken als onvrijwillig bezitsverlies als direct gevolg van het naziregime.

7.6. Op grond van het vorenstaande geeft de commissie het volgende bindend advies.

BINDEND ADVIES

Het Museum is niet gehouden tot teruggave van de grisaille Allegorie op de herfst van Jacob de Wit aan verzoekers, noch tot betaling van enige compensatie aan verzoekers.

Dit bindend advies is gegeven op 3 september 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter) (E. Campfens, secretaris)