Weijers (II)

NK 2477 (foto: RCE)

Advies inzake Weijers II

Dossiernummer: 
4.118
Soort advies: 
Hernieuwd advies
Adviesdatum: 
6 september 2010
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

INLEIDING

Bij brief van 12 januari 2010 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) verzocht om hernieuwd advies inzake het restitutieverzoek van de heer J.A.C.M.V. namens de ‘erven van wijlen H. Weijers uit Tilburg’ (hierna: de erven Weijers of verzoekers). Dit restitutieverzoek ziet op negen schilderijen uit de NK-collectie van het Rijk met de inventarisnummers NK 1667, NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2264, NK 2476, NK 2477, NK 2509, NK 2774. Het bedoelde restitutieverzoek is bij besluit van de minister van 14 januari 2009 afgewezen, conform het advies van de commissie van 1 december 2008 (zaaknummer RC 1.68).

De aanleiding voor het genoemde verzoek om hernieuwd advies is een brief van de erven Weijers aan de minister van 26 augustus 2009, waarin bezwaren worden aangevoerd tegen het advies van de commissie inzake RC 1.68 en waarin de minister wordt verzocht zijn besluit tot afwijzing van het restitutieverzoek te heroverwegen. De minister heeft de commissie bij brief van 12 januari 2010 verzocht “om een hernieuwd advies te vernemen op basis van hetgeen door de erven Weijers in voormelde brief is aangevoerd.” Dit verzoek is behandeld onder zaaknummer RC 4.118.

Naar aanleiding van het verzoek heeft de commissie zich gebogen over de bezwaren van de erven Weijers en over de aanvullende bronnen en documentatie. Een verslag hiervan is neergelegd in een rapport, in definitieve versie vastgesteld op 6 september 2010. Thans zal worden nagegaan of sprake is van
(i) bezwaren tegen de gang van zaken tijdens de behandeling, waardoor fundamentele belangen zijn geschaad, ofwel sprake is van
(ii) nieuwe feiten, die, waren zij bekend geweest ten tijde van het eerdere advies, tot een ander oordeel zouden hebben geleid.

DE PROCEDURE

Na de ontvangst van het verzoek om hernieuwd advies van de minister van 12 januari 2010 heeft de commissie een procedurebrief verstuurd aan verzoekers, gedateerd 2 februari 2010. Hierop hebben verzoekers bij brief van 8 februari 2010 desgevraagd hun tegenover de minister geuite standpunten bevestigd. Tevens hebben zij hun wens bevestigd door de commissie te worden gehoord. Vervolgens hebben verzoekers bij brieven van 8 en 21 april 2010 een aanvullende onderbouwing van hun bezwaren verschaft.
Op 3 mei 2010 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in Den Haag, in aanwezigheid van mevrouw E. en de heer V., kleinkinderen van H.F.J. Weijers (hierna: Weijers), en hun advocaat de heer M.H. Stötzel te Marburg, Duitsland. Verzoekers hebben hier hun verzoek mondeling toegelicht en vragen van de commissie beantwoord. Ook hebben zij bij die gelegenheid enige familiebronnen getoond, waaronder twee fotoalbums. Bij brieven van verzoekers van 11 juni en 2 juli 2010, en van de commissie van 6 mei, 29 juni en 2 augustus 2010 is gecorrespondeerd over het rapport en hernieuwde advies inzake RC 4.118. De commissie heeft tijdens de hoorzitting met verzoekers onder meer gemeld dat er geen vast protocol is voor dit bijzondere verzoek van de minister. Er is een rapport opgesteld d.d. 2 augustus 2010 waarin ten eerste de bezwaren van de erven Weijers zakelijk en verkort zijn weergegeven en ten tweede een overzicht is gemaakt van aanvullend bronmateriaal. Bij brief van 26 augustus 2010 hebben verzoekers hierop gereageerd, naar aanleiding waarvan het rapport op punten is aangepast. Dit rapport is 6 september 2010 vastgesteld.
Tijdens de procedure is gebleken dat NK 1667 en NK 2264 tevens onderdeel uitmaken van een restitutieverzoek betreffende De Haan (RC 1.106). Dit feit is tijdens de hoorzitting aan verzoekers medegedeeld. De commissie weegt dubbele claims indien en voor zover nodig tegen elkaar af. In het onderstaande advies blijkt een zodanige afweging, gezien de navolgende overwegingen, niet nodig.

BIJZONDERE OVERWEGINGEN

       A. Procedurele bezwaren

  1. Zoals vermeld in het rapport inzake RC 4.118, paragraaf 2, hebben de erven Weijers bezwaren met betrekking tot de behandeling van hun restitutieverzoek door de commissie en het advies inzake RC 1.68. Verzoekers stellen in dit verband dat bewijsmateriaal is genegeerd. Tevens maken zij bezwaar tegen het feit dat de commissie verzoekers, in het bijzonder mevrouw H.F.E.-W., niet heeft gehoord. Ook stellen zij dat de commissie is voorbijgegaan aan hun reactie op het concept-onderzoeksrapport inzake RC 1.68.

  2. Tijdens de procedure wordt een concept-onderzoeksrapport opgesteld. In dit rapport worden (uitsluitend) de feiten vermeld die relevant zijn voor de beoordeling van het restitutieverzoek in het advies. Voor haar onderzoek maakt de commissie gebruik van informatie die wordt verkregen van verzoekers, van het ministerie en Bureau Herkomst Gezocht (BHG), en aangevuld met eigen onafhankelijk onderzoek. De uiteindelijke afweging in een zaak wordt niet gemaakt in het onderzoeksrapport maar in het advies.

  3. Aan de erven Weijers is tijdens de procedure inzake RC 1.68 ruimte en gelegenheid geboden relevante informatie onder aandacht van de commissie te brengen en hun restitutieverzoek toe te lichten. Ten eerste werd op 20 december 2007 aan verzoekers een vragenformulier gezonden met het verzoek dit formulier in te vullen en daarbij alle informatie die zij van belang achten te vermelden of mee te sturen. In de begeleidende brief vroeg de commissie aan verzoekers om kopieën van specifieke documenten alsmede om nadere informatie aan de hand van verschillende specifieke vragen. Hierop is door verzoekers bij brief met bijlagen van 1 april 2008 gereageerd. Ook ontving de commissie in dit kader op 2 april 2008 de ‘verklaring onder ede’ van H.F.E.-W. Ten tweede zond de commissie de erven Weijers bij brief van 13 mei 2008 haar concept-onderzoeksrapport toe. Verzoekers maakten gebruik van de reactiemogelijkheid en zonden hun reactie per brief van 24 juni 2008 toe.

  4. Anders dan verzoekers stellen heeft de commissie de verklaring onder ede van H.F.E.-W. van 2 april 2008 niet “volledig naast zich neergelegd”. In het advies inzake RC 1.68 zijn drie citaten uit genoemde verklaring opgenomen (ov. 11) en in de argumentatie is aan de verklaring aandacht besteed (ov. 14). Evenmin zijn zoals verzoekers stellen de door hen overgelegde documentatie en bronnen genegeerd. In het ‘Rapport inzake Weijers RC 1.68’ van 6 oktober 2008 is meermalen uit deze documentatie en bronnen geciteerd. Voor zover de kritiek van verzoekers ziet op de waardering van de feiten in het advies en de daarmee verband houdende selectie van relevant feitenmateriaal, overweegt de commissie dat deze waardering bij uitstek haar taak is en dat haar inzichten sinds 2008 niet zijn veranderd. Op vergelijkbare wijze gaat de commissie thans om met het schriftelijk oordeel over de zaak van NIOD-onderzoeker dr. G. Aalders, dat op verzoek van de erven Weijers is opgemaakt en dat tijdens de herzieningsprocedure aan de commissie is verstrekt (rapportage inzake RC 4.118, paragraaf 4).

  5. Wat betreft het horen van verzoekers merkt de commissie het volgende op. De commissie nodigt indien zij dit nodig acht verzoekers uit voor een mondelinge toelichting van de claim. Dit is aan verzoekers gemeld in de procedurebrief van 14 mei 2007. Een hoorzitting vindt in de praktijk in een beperkt aantal gevallen plaats. Verzoekers hebben tijdens de procedure aangegeven dat zij bereid waren hun restitutieverzoek nader toe te lichten, maar de noodzaak of wenselijkheid van een hoorzitting hebben zij in het midden gelaten (“should you deem it proper to have a personal hearing of my clients, please do not hesitate to contact me”, brief 1 april 2008). De commissie achtte een mondelinge toelichting in aanvulling op de verschafte schriftelijke stukken niet noodzakelijk voor de beoordeling van het restitutieverzoek.

  6. De keuze om het integrale commentaar van verzoekers op het conceptonderzoeksrapport als bijlage bij het definitieve rapport op te nemen, pleegt te worden gemaakt indien de reactie van de verzoekers substantieel is, een zelfstandige aanvulling op het conceptrapport vormt en/of met het rapport niet of moeilijk verenigbaar is door de vermelding van een bepaalde context. De bijlage maakt in dergelijke gevallen, en zo ook in de zaak Weijers, integraal deel uit van het aan de minister toegezonden rapport. Dit betekent dat de inhoud van de reactie in zijn geheel kan worden overgebracht maar voor rekening van de verzoekers blijft. Bovendien bevatte de reactie van de erven Weijers weliswaar aanscherpingen zoals ten aanzien van de periode waarin Weijers zijn schilderijen aankocht, maar deze maakten de feitenweergave in het onderzoeksrapport niet onjuist.

  7. Door de wijze waarop de commissie met de reactie van verzoekers op het concept-onderzoeksrapport is omgegaan, zijn geen fundamentele belangen van de erven Weijers geschaad.

    B. Bezwaren in verband met beleidskader en inhoudelijke bezwaren

  8. De bezwaren van verzoekers omtrent het beleidskader en de inhoud van het advies zijn weergegeven in de rapportage inzake RC 4.118, paragrafen 3 en 4. De bezwaren houden in wezen een nadere toelichting in van tijdens de procedure inzake RC 1.68 reeds naar voren gebrachte standpunten, toegelicht met aanvullend bronmateriaal. Deze inbreng biedt onvoldoende nieuwe feiten die relevant zijn in verband met het beoordelingscriterium in het advies inzake RC 1.68. De conclusie zoals uitgesproken in het advies inzake RC 1.68 verandert zodoende niet.

  9. De waardering van de inhoud van het onderzoeksrapport inzake RC 1.68 en de reactie van verzoekers vond plaats in het advies. Bepalend daarin was het criterium voor bezitsverlies, waarvoor een aantal specifieke feiten c.q. gebrek daaraan de doorslag heeft gegeven. De inspanningen van de erven Weijers sindsdien, te weten toezending van de aanvullende bronnen en documenten zoals vermeld in de rapportage inzake RC 4.118, paragraaf 5, hebben de beoordeling aan het criterium voor bezitsverlies niet kunnen veranderen. Het door verzoekers verschafte materiaal draagt weliswaar bij aan een nauwkeuriger beeld van de familie Weijers voor, tijdens en na de oorlog. Echter, ten aanzien van de kunstcollectie, in het bijzonder het moment en de omstandigheden van de verwerving en het bezitsverlies van de geclaimde kunstwerken, zijn belangrijke vragen onbeantwoord gebleven. Hoewel dus een nauwkeuriger portret van de familie Weijers en de persoonlijke omstandigheden tijdens de oorlog is ontstaan, werpen de aanvullende bronnen en documenten geen wezenlijk ander licht op de feiten ten aanzien van de bezitsverwerving en het bezitsverlies zoals die tot uitgangspunt zijn genomen in het advies inzake RC 1.68.

  10. Ter verdere toelichting nog het volgende. Onder verwijzing naar het in het advies inzake RC 1.68 geformuleerde criterium omtrent onvrijwillig bezitsverlies (ov. 5) wordt overwogen dat Weijers niet behoorde tot een vanwege het naziregime vervolgde bevolkingsgroep en dat verzoekers daarom zelf dienden aan te tonen dat de verkoop van de geclaimde schilderijen door Weijers tijdens de oorlog als onvrijwillig, door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, kan worden aangemerkt. Verzoekers hebben veel informatie aangedragen over de omstandigheden van Weijers tijdens de oorlog, maar het bestaan van een direct verband tussen een van het naziregime uitgaande specifieke dreiging of dwang, en de verkopen van de geclaimde kunstwerken (ov. 14), is desondanks niet aangetoond.

  11. Voor de commissie is boven twijfel dat Weijers zijn kunstcollectie had willen behouden maar dat dit voor hem niet vol te houden bleek door de oorlogsomstandigheden, die in zijn geval onder meer inhielden dat hij voor de Duitsers gold als een tegenstander en in elk geval mede daardoor in november 1940 zijn huis aan de bezetter moest afstaan. Ook is het de commissie duidelijk dat de Duitsers al vanaf het begin van de oorlog interesse hadden in kunstcollecties zoals die van Weijers en dat zij probeerden de kunstwerken in handen te krijgen. Weijers heeft bovendien te maken gekregen met de dreiging van gevangenneming in 1943/44. De voor de commissie nieuwe verklaringen onder andere van de dochter van Weijers in haar dagboek en van tijd- en buurtgenoot Straeter over de familie Weijers bevestigen een beeld van een familiedrama, dat zich in de oorlog bij velen die niet wensten mee te werken met de nazi’s heeft voltrokken. Maar ook al was de situatie voor hem en zijn familie moeilijk, vervolgd is Weijers niet en tot gevangenneming en plaatsing in een kamp is het evenmin gekomen.

  12. Deze voor de commissie zwaarwegende bevinding strekt zich ook uit naar andere verklaringen van verzoekers (rapportage inzake RC 4.118, paragraaf 4). Verzoekers stellen dat “Weijers zijn schilderijen noodgedwongen en onder grote druk heeft moeten afstaan”, te weten vanwege “the requisition of his house in Tilburg in November 1940 by the occupying forces, since Weijers refused to join the party (NSB); the use of threats by De Haan, Kieslinger, Sijperda and other art dealers in order to make him sell the paintings; the shabby smear campaign against Weijers as shown by the article in “De Opstand” the constant threat of imprisonment; the announced confiscation of the Jan Steen”.

  13. Bijna alle aspecten die verzoekers in voorgaand citaat noemen houden verband met de algemene oorlogsomstandigheden. Bij de door Weijers verkochte kunstwerken ontbreken concrete aanwijzingen voor ophanden zijnde confiscatie (ov. 14 van het advies inzake RC 1.68). Rondom het kunstwerk van Jan Steen (in zaak RC 1.68 niet geclaimd, maar nochtans vermeld door verzoekers) lijkt weliswaar op zeker moment een reële dreiging te hebben bestaan, namelijk toen de Duitsers een verklaring eisten waaruit moest blijken dat Weijers dit kunstwerk niet van Duitse joden had aangekocht, maar dit gevaar is vervolgens door Weijers afgewend. Bij deze verkoop en bij de andere verkopen, inclusief de verkoop waarin op een gegeven moment de Duitser Kieslinger in beeld kwam, ging het initiatief steeds van Weijers zelf uit.

    C. Slotoverweging

  14. Onder verwijzing naar het hiervoor in de inleiding, derde alinea, genoemde criterium wordt het volgende geconcludeerd. Inzoverre de bezwaren van verzoekers zijn gericht tegen de gang van zaken tijdens de behandeling van hun restitutieverzoek inzake RC 1.68 zijn deze niet gegrond gebleken. Daarnaast zijn geen nieuwe feiten aangetroffen, die, waren zij bekend geweest ten tijde van het eerdere advies, tot een ander oordeel zouden hebben geleid. Een en ander betekent dat de commissie de minister niet tot heroverweging van zijn besluit inzake RC 1.68 zal adviseren.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de afwijzing van het restitutieverzoek van de ‘erven van wijlen H. Weijers uit Tilburg’ tot teruggave van de kunstwerken met de inventarisnummers NK 1667, NK 1870, NK 2069, NK 2183, NK 2264, NK 2476, NK 2477, NK 2509, NK 2774, in stand te laten.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 6 september 2010 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, I.C. van der Vlies (vicevoorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                    (E. Campfens, secretaris)

Gerelateerde adviezen: