Van Aldenburg Bentinck II

NK2550 (Foto: Mauritshuis, Den Haag)

Advies inzake Van Aldenburg Bentinck II

Dossiernummer: 
4.125
Soort advies: 
Hernieuwd advies
Adviesdatum: 
5 maart 2012
Periode bezitsverlies: 
onbekend
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 14 juni 2011 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om een zogenoemd hernieuwd advies over een restitutieverzoek van I.A.O.-V.A.B., te kasteel M., D.S. (hierna: verzoekster) van het schilderij Paar in interieur van Pieter Codde dat thans deel uitmaakt van de Nederlandse Rijkscollectie onder inventarisnummer NK 2550. Het door verzoekster terugverlangde kunstwerk bevindt zich in het Mauritshuis te Den Haag.

Het genoemde restitutieverzoek is bij besluit van de staatssecretaris van 13 oktober 2010 afgewezen, conform het advies van de commissie van 6 september 2010 (zaaknummer
RC 1.102). Daarop heeft verzoekster de staatssecretaris bij brief van 18 mei 2011 verzocht om zijn besluit te heroverwegen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de staatssecretaris de commissie verzocht om een hernieuwd advies op basis van hetgeen door verzoekster in haar brief van 18 mei 2011 is aangevoerd.

DE PROCEDURE

Na ontvangst van het verzoek om hernieuwd advies heeft de commissie verzoekster op 27 juli 2011 schriftelijk gemeld dat zal worden onderzocht of sprake is van:
(a)    nieuwe feiten, die, waren zij bekend geweest ten tijde van de vaststelling van het advies, geleid zouden hebben tot een andere conclusie, en/of
(b)   fouten tijdens de procedure, waardoor fundamentele belangen van verzoekster zijn geschaad.

Hierbij is verzoekster uitgenodigd eventuele aanvullende stukken toe te sturen die zij relevant achtte in het licht van deze toetsingscriteria. Verzoekster heeft hierop op 12 september 2011 inhoudelijk gereageerd via haar gemachtigde, mr. G.L. Maaldrink. Bij deze gelegenheid gaf verzoekster tevens aan haar verzoek mondeling te willen toelichten in aanwezigheid van haar gemachtigde en van de rentmeester van kasteel M., N.W.C. De zaak is vervolgens mondeling behandeld op 24 januari 2012 in aanwezigheid van de zojuist genoemde personen en een afvaardiging van de commissie. Bij deze gelegenheid is een pleitnota van de gemachtigde overgelegd, en nadien is op 2 februari 2012 van de zijde van verzoekster nog enige aanvullende informatie en documentatie verstrekt.

Aan verzoekster is op 17 februari 2012 medegedeeld dat de commissie zal overgaan tot het opstellen van het hernieuwde advies. De in de beoordeling van de commissie betrokken toelichting van verzoekster omvat haar inbreng bij brieven van 18 mei 2011, 12 september 2011, 19 januari 2012, 2 februari 2012, e-mail van 16 november 2011, pleitnota van 24 januari 2012, en de gegevens verstrekt tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2012.

OVERWEGINGEN

  1.  De commissie beoordeelt in het kader van het verzoek om hernieuwd advies of er in de door verzoekster verstrekte toelichting sprake is van:

    (a) nieuwe feiten, die, waren zij bekend geweest ten tijde van de vaststelling van het advies, geleid zouden hebben tot een andere conclusie, en/of

    (b) fouten tijdens de procedure, waardoor fundamentele belangen van verzoekster zijn geschaad.

    Procedurele fouten: criterium (b)

  2. Verzoekster acht zich volgens haar toelichting onvoldoende geïnformeerd over het onderzoek in de zaak Katz (RC 1.90-B) waarin hetzelfde schilderij wordt geclaimd. Verzoekster heeft de commissie verzocht die zaak met de hare te voegen teneinde kennis te kunnen nemen van de inbreng van de verzoekers inzake Katz met betrekking tot NK 2550 (brief 12 september 2011, punten 14-15 in samenhang). De commissie overweegt hieromtrent dat geen sprake is van onvoldoende uitwisselen van informatie, omdat het dossier Katz geen andere feiten met betrekking tot NK 2550 bevat dan die zijn vermeld in het onderzoeksrapport Van Aldenburg Bentinck (RC 1.102). De commissie heeft dit standpunt al gedeeld met verzoekster tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2012.

    Nieuwe feiten: criterium (a)

  3. De door verzoekster in haar toelichting gestelde feiten houden naar de overtuiging van de commissie een nieuwe interpretatie in van al bekende en gewogen feiten of zien op aspecten die niet relevant zijn voor de beoordeling van het bezitsverlies. Zo houdt het door verzoekster bij e-mail van 16 november 2011 aangedragen feit dat N. na de oorlog niet heeft geclaimd geen relevant nieuw feit in, en was de bij brief van 19 januari 2012 aangedragen ‘witte kaart’ uit het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit al bekend (onderzoeksrapport RC 1.102, par. 4.1, p. 8). De verdere argumentatie van verzoekster richt zich, onder overlegging van enkele bladzijden uit een niet in het onderzoeksrapport RC 1.102 vermelde catalogus van het Mauritshuis, op een lezing van de feiten, waarin het bezitsverlies door Bentinck plaatshad in 1944 (zie onder meer brief 12 september 2011). Verzoekster heeft echter tevens verklaard niets te weten over het tijdstip van het bezitsverlies door haar vader en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, omdat zij in de periode 1942-1945 in Duitsland was in verband met de Arbeitseinsatz. Zij herinnert zich alleen dat haar vader haar nadien heeft verteld dat het schilderij ‘naar N. ging’ (mondelinge behandeling 24 januari 2012). In het advies inzake RC 1.102 heeft de commissie reeds vermeld dat vanwege tegenstrijdige gegevens in het bronnenmateriaal onbekend is gebleven wanneer en onder welke omstandigheden het schilderij uit het bezit van Bentinck is geraakt. De commissie hecht belang aan de herinnering van verzoekster dat het schilderij nog tot voor haar vertrek naar Duitsland in 1942 in haar ouderlijk huis hing (mondelinge behandeling 24 januari 2012). De bovengenoemde onduidelijkheden omtrent het bezitsverlies worden hiermee echter niet opgehelderd.

  4. De commissie overweegt dat, nog los van de bovengenoemde onopgehelderde aspecten, de claim van verzoekster niet voldoet aan het criterium van onvrijwillig bezitsverlies (advies RC 1.102, ov. 7). Op grond van het geldende restitutiebeleid is immers de vraag aan de orde of ten aanzien van de voormalige eigenaar W.F.C.H. graaf Van Aldenburg Bentinck (hierna: Bentinck) sprake was van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Van een dergelijke onvrijwilligheid kan bij verkoop door particulieren die niet behoorden tot een vervolgde bevolkingsgroep, zoals Bentinck, slechts sprake zijn indien een van het naziregime uitgaande directe dreiging of dwang op de verkoper is uitgeoefend. Een door Bentinck ervaren morele plicht die hem bewoog het schilderij aan N. af te staan, kan niet worden gelijkgesteld aan een directe dreiging of dwang ten aanzien van Bentinck zelf, hoezeer een dergelijk initiatief ook te bewonderen is (aldus in vergelijkbare bewoordingen de genoemde ov. 7). De toelichting van verzoekster (onder meer brief 12 september 2011, punt 6 en 11; pleitnota 24 januari 2012, punt 11) houdt op dit punt geen nieuwe feiten in die, bij bekendheid ten tijde van de vaststelling van het advies, zouden hebben geleid tot een andere conclusie.

  5. In het licht van deze overwegingen zal de commissie de staatssecretaris adviseren het besluit inzake RC 1.102 niet te heroverwegen.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de afwijzing van het restitutieverzoek van verzoekster tot teruggave van het schilderij Paar in interieur van Pieter Codde (NK 2550) in stand te laten.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 5 maart 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                        (E. Campfens, secretaris)

Gerelateerde adviezen: