Katz - Kummerlé (B)

Advies inzake Katz - Kummerlé (B)

Dossiernummer: 
RC 1.132-B
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
18 december 2017
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 7 juni 2012 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna: de commissie) om advies verzocht over het verzoek van erfgenamen van Nathan en Benjamin Katz (hierna: verzoekers) van 8 mei 2012 tot teruggave van de volgende drie schilderijen die deel uitmaken van de Nederlandse Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie):
-    Bathseba na het baden, omgeving Jan Steen (NK 3752),
-    Landschap aan zee van Pieter van der Croos (NK 3753); en
-    Vrouw knielend voor een tulpenbed, van een onbekende Hollandse meester, voormalige toeschrijving Gerard Dou (NK 3754).

Deze schilderijen maken sinds hun overdracht op 4 maart 2012 door de Bondsrepubliek Duitsland aan de Nederlandse Staat deel uit van de NK-collectie.

Beoordelingskader 

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die:
a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
            Ingevolge het vierde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, ingediend bij de minister voor 30 juni 2015, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.

De procedure

Ten aanzien van de drie geclaimde schilderijen is op 6 maart 2012 een restitutieverzoek ingediend door erfgenamen van Abraham Katz vertegenwoordigd door prof. mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam. Aangezien bovenvermeld en laatstgenoemde verzoeken betrekking hebben op dezelfde schilderijen heeft de commissie de verzoeken samengevoegd in dossier RC 1.132, maar over beide is afzonderlijk advies uitgebracht. De commissie heeft op 16 oktober 2017 advies uitgebracht over het verzoek van de erfgenamen van Abraham Katz (adviesnummer RC 1.132-A). Dit advies strekte tot afwijzing van het verzoek. Het onderhavige advies heeft betrekking op het verzoek van erfgenamen van Nathan en Benjamin Katz van 8 mei 2012 (adviesnummer RC 1.132-B).
           
Verzoekers hebben op 8 mei 2012 de minister verzocht om teruggave van de drie schilderijen. De minister heeft dit verzoek voor advies voorgelegd aan de commissie bij brief van 7 juni 2012. Verzoekers hebben desgevraagd hun verzoek toegelicht bij brief van 28 september 2012. Bij brief van 18 april 2013 heeft de commissie aan verzoekers gevraagd of het op 17 december 2012 in de zaak RC 1.90-B (Katz) uitgebrachte advies aanleiding gaf om hun verzoek aan te passen of aan te vullen. Bij brief van 22 april 2013 hebben verzoekers aangekondigd aanvullend onderzoek te verrichten en de commissie verzocht zaak RC 1.132 aan te houden. De commissie heeft dit verzoek ingewilligd.
            Bij brief van 15 december 2016 hebben verzoekers de onderbouwing van hun verzoek aangevuld. De commissie heeft vervolgens onderzoek verricht. Dit heeft geresulteerd in een conceptonderzoeksrapport van 16 oktober 2017 dat voor reactie naar verzoekers is gestuurd en voor feitelijke aanvulling naar de minister. Verzoekers hebben gereageerd bij brief van 9 november 2017. De minister heeft op 13 november 2017 laten weten geen aanvullende feiten te hebben. Vervolgens heeft de commissie het advies en het onderzoeksrapport vastgesteld in haar vergadering van 18 december 2017.

Overwegingen

  1. De commissie heeft kennis genomen van diverse erfrechtelijke documenten op grond waarvan zij geen reden heeft te twijfelen aan de status van verzoekers als rechthebbenden in het kader van dit restitutieverzoek.
  2. De drie thans geclaimde schilderijen maakten deel uit van de collectie van het Museum für Bildende Künste der Stadt Leipzig (hierna: het Museum). De schilderijen zijn daar omstreeks 1953/1954 terechtgekomen uit de voormalige collectie van Emil Kummerlé, die de schilderijen tijdens de Tweede Wereldoorlog had verworven. Na een aanspraak van Nederland op werken uit deze collectie zijn diverse kunstwerken, waaronder de onderhavige drie, op 4 maart 2012 gerecupereerd naar Nederland. Aan deze recuperatie ging een beslissing van het Bundesamt für zentrale Dienste und offene Vermögensfragen (hierna: het BADV) van 17 juni 2011 vooraf. Na recuperatie zijn de drie schilderijen opgenomen in de NK-collectie. Volgens verzoekers zijn de drie schilderijen tijdens de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig door kunsthandel Firma D. Katz (Kunsthandel Katz) aan Alois Miedl/kunsthandel v/h J. Goudstikker N.V (hierna: Goudstikker-Miedl) verkocht.
  3. Het onderhavige verzoek om teruggave hangt deels samen met een eerder verzoek om teruggave van 189 werken uit de NK-collectie waarover de commissie op 17 december 2012 heeft geadviseerd in zaak RC 1.90-B (Katz). Het betreft dezelfde verzoekers en dezelfde gestelde oorspronkelijke eigenaar (Kunsthandel Katz). Daarnaast heeft onderhavig verzoek betrekking op schilderijen die in augustus 1940 in het bezit zijn gekomen van Goudstikker-Miedl, op een zelfde wijze als de schilderijen genoemd in lijst I behorend bij het advies RC 1.90-B.
    De commissie zal derhalve nagaan of ten aanzien van de thans geclaimde schilderijen aanleiding bestaat om tot een andersluidend advies te komen dan dat waartoe zij in advies RC 1.90-B ten aanzien van de schilderijen van lijst I is gekomen. Daarbij zal de commissie eerst ingaan op het verzoek om teruggave van NK 3754, aangezien onduidelijk is of dit het schilderij van Gerard Dou is dat door of via Kunsthandel Katz in augustus 1940 is verkocht aan Goudstikker-Miedl.
    NK 3754
  4. In het adviesverzoek van 7 juni 2012 wordt NK 3754 omschreven als een schilderij getiteld ‘Vrouw knielend voor een tulpenbed in gesprek met een man’ van een onbekende Hollandse Meester, voorheen toegeschreven aan Gerard Dou. Het betreft een schilderij in olieverf op paneel met de afmetingen 44,3 bij 35,7 cm. Verzoekers hebben met hun verzoek aan de minister van 8 mei 2012 een door het BADV toegezonden lijst meegestuurd (hierna: de BADV-lijst), waarop NK 3754 wordt genoemd onder nummer 40. Over dit werk wordt op de BADV-lijst informatie vermeld afkomstig van het Museum en informatie afkomstig van het Nederlandse ministerie van OCW. Volgens de op de BADV-lijst vermelde informatie van het Museum gaat het om een schilderij getiteld ‘Vor einem Tulpenbeet kniende Frau in Unterhaltung mit einem Mann’ van een onbekende Hollandse Meester, voorheen toegeschreven aan Gerard Dou. Volgens de op de BADV-lijst vermelde informatie van OCW gaat het om een ‘Vrouwenportret’ door Gerard Dou. De door het Museum opgegeven en op de BADV-lijst vermelde informatie bevat de afmetingen (44 bij 35,5 cm) van het schilderij en een herkomstgeschiedenis die niet verder teruggaat dan Emil Kummerlé. De op de BADV-lijst vermelde informatie afkomstig van OCW bevat geen afmetingen maar wel een herkomstgeschiedenis die zowel Emil Kummerlé als Goudstikker-Miedl en Katz vermeldt, onder verwijzing naar Goudstikker-inventarisnummer 5216. Deze verschillen in beschrijving roepen de vraag op of het hier om hetzelfde schilderij gaat.
  5. De op de BADV-lijst vermelde informatie, afkomstig van OCW over een ‘Vrouwenportret’  door Gerard Dou, komt overeen met informatie uit diverse tijdens het onderzoek aangetroffen documenten waarop melding wordt gemaakt van een ‘Vrouwenportret’ door Gerard Dou, dat door Kunsthandel Katz verkocht zou zijn aan Goudstikker-Miedl op 7 augustus 1940 en vervolgens op 12 maart 1942 aan Emil Kummerlé te Brandenburg. De aangetroffen documenten zijn een Intern Aangifte Formulier van de SNK, een lijst uit het archief van de SNK met de titel ‘Collectie Katz’ en een lijst uit het NBI-archief betreffende Goudstikker-Miedl met de kop ‘Schilderijen - Lange Voorhout 35, den Haag’. Op deze laatste lijst wordt het schilderij onder Goudstikker-inventarisnummer 5216 als volgt vermeld:
    [5216] [v] G. Dou, vrouwenportret (Cook)   [München   2778  f 32000   11000]
    In het conceptonderzoeksrapport van 16 oktober 2017 wordt vermeld dat het bij het ontbreken van afbeelding en afmeting van het op 12 maart 1942 aan Kummerlé verkochte schilderij onduidelijk is of dit NK 3754 betreft.
  6. In reactie op het conceptonderzoeksrapport schrijven verzoekers op 9 november 2017 dat NK 3754 niet het in de hierboven in overweging 5 genoemde documenten genoemde schilderij is dat door Kunsthandel Katz is verkocht aan Goudstikker-Miedl. Zij verwijzen in dit verband naar gegevens uit een voorraadboek van kunsthandel Agnew te Londen, waarin een vrouwenportret door Gerard Dou wordt genoemd. Volgens verzoekers is dit schilderij, dat Kunsthandel Katz op 8 maart 1940 heeft gekocht uit de Cook-collectie, het werk dat genoemd wordt in de diverse hierboven genoemde documenten. Verzoekers hebben een afbeelding van het schilderij, dat 21 bij 15,5 cm meet, toegezonden. Uit de afbeelding blijkt dat op het schilderij de moeder van Gerard Dou is afgebeeld.
  7. De commissie is met verzoekers van oordeel dat NK 3754 niet het vrouwenportret door Gerard Dou is dat in de hierboven in overweging 5 genoemde documenten wordt vermeld en dat door Kunsthandel Katz in augustus 1940 is verkocht aan Goudstikker-Miedl.
    NK 3754 kan, gelet op de afbeelding, namelijk moeilijk als een vrouwenportret worden bestempeld (zie afbeelding hierboven).
    Daarnaast blijkt uit de door verzoekers bij brief van 9 november 2017 toegezonden documenten dat Kunsthandel Katz op 8 maart 1940 inderdaad een vrouwenportret heeft gekocht uit de Cook-collectie, welk schilderij qua kenmerken sterk overeenkomt met het in de hierboven in overweging 5 genoemde documenten omschreven vrouwenportret door Gerard Dou. In dat licht en bij gebrek aan andere herkomstgegevens over NK 3754 die dit schilderij in verband kunnen brengen met Kunsthandel Katz, zal de commissie de minister adviseren het verzoek om teruggave van NK 3754 af te wijzen.
    NK 3752 en NK 3753
  8. Van NK 3752 en NK 3753 is bekend dat zij in augustus 1940 door of via Kunsthandel Katz zijn verkocht aan Goudstikker-Miedl, waarna zij uiteindelijk in het bezit zijn gekomen van Emil Kummerlé. Naast de twee thans geclaimde schilderijen zijn in augustus 1940 en daarna nog 101 schilderijen verkocht door of via Kunsthandel Katz aan Goudstikker-Miedl. Over deze transacties heeft de commissie geadviseerd in RC 1.90-B. In overweging 14 van dit advies concludeerde de commissie dat de Miedl-werken onderwerp waren van handelstransacties, passend bij het door de Commissie Ekkart geformuleerde uitgangspunt van het kunsthandelbeleid ‘dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’. Voor de onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar overweging 14 van het advies inzake RC 1.90-B.
  9. De vraag is of ten aanzien van het bezitsverlies van NK 3752 en NK 3753 aanleiding bestaat om tot een ander oordeel te komen. Verzoekers verwijzen naar de beslissing van het BADV van 17 juni 2011 en stellen dat in Duitsland en andere landen de onvrijwilligheid van het bezitsverlies in het geval van een joodse eigenaar als uitgangspunt wordt genomen. Verzoekers voeren aan dat, indien de commissie zou vasthouden aan het uitgangspunt van het kunsthandelbeleid ‘dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’ zij de internationale consensus dat verkopen onder de Duitse bezetting niet gewoon waren, miskent.
    Ten aanzien van dit betoog volstaat de commissie met vast te stellen dat zij op grond van het Instellingsbesluit gehouden is te adviseren met inachtneming van ‘het rijksbeleid ter zake’. Aangezien het om een kunsthandelzaak gaat, betekent dit dat de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart (2003), zoals overgenomen door de regering, van toepassing zijn. Aan deze aanbevelingen ligt het hierboven vermelde uitgangspunt ten grondslag, op grond waarvan de onvrijwilligheid van de in het geding zijnde transacties aannemelijk dient te worden gemaakt. Nu het hier een verkoop door een joodse kunsthandelaar onder het Nazi-regime betreft, leidt toepassing van het Nederlandse restitutiebeleid ertoe dat deze verkoop in beginsel niet als onvrijwillig wordt aangemerkt.
  10. De commissie heeft kennis genomen van de door verzoekers op 15 december 2016 toegezonden aanvullende informatie, waaronder rapporten van AA en BB. Deze bieden geen aanleiding om ten aanzien van het karakter van het bezitsverlies van NK 3752 en NK 3753 tot een andere conclusie te komen dan die vermeld in overweging 14 van het advies inzake RC 1.90-B. In dit verband verwijst de commissie voorts naar haar advies inzake RC 4.168, waarin wordt ingegaan op de door verzoekers toegezonden aanvullende informatie.
    Ook overigens bestaat geen aanleiding om ten aanzien van het bezitsverlies van NK 3752 en NK 3753 tot een andere conclusie te komen dan die vermeld in overweging 14 van het advies inzake RC 1.90-B. Dit betekent dat de commissie de minister zal adviseren het verzoek om teruggave van NK 3752 en NK 3753 af te wijzen. Aan de beoordeling van de eigendomsvraag komt de commissie derhalve niet toe.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het verzoek om teruggave van NK 3752, NK 3753 en NK 3754 af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 18 december 2017 door A. Hammerstein (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.H.W. Koster, P.J.N. van Os, H.M. Verrijn Stuart, G.N. Verschoor en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A. Hammerstein, voorzitter)                        (M.C.J. Kooij, secretaris)