Advies inzake Oppenheimer III

foto: Rijksmuseum Amsterdam

Wandtapijt 'Kuisheid met twee putti' (Oppenheimer III)

Dossiernummer: 
RC 1.133
Soort advies: 
Rijkscollectie
Adviesdatum: 
8 april 2013
Periode bezitsverlies: 
1933-1940
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

Bij brief van 4 juni 2012 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) de Restitutiecommissie (hierna ook: de commissie) om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 21 maart 2012 van de erfgenamen van Rosa en Jakob Oppenheimer (hierna: verzoekers) tot teruggave van het wandtapijt ‘Kuisheid met twee putti’. Het tapijt is volgens verzoekers afkomstig van een van de ondernemingen van het Margraf-concern te Berlijn. De aandelen van dit concern zouden door de oprichter zijn gelegateerd aan de joodse kunsthandelaars Rosa en Jakob Oppenheimer. Het geclaimde tapijt maakt als gevolg van een aankoop in 1955 door het Rijksmuseum te Amsterdam (hierna: RMA) deel uit van de Nederlandse rijkscollectie (inventarisnummer BK-1955-98) en bevindt zich thans in het RMA.

Beoordelingskader

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de Staatssecretaris van OCW de taakomschrijving van de Restitutiecommissie in artikel 2 van haar Instellingsbesluit gewijzigd. Dit wijzigingsbesluit is op 18 juli 2012 in de Staatscourant gepubliceerd en op 19 juli 2012 in werking getreden. Uit artikel II van dit wijzigingsbesluit volgt dat verzoeken die voor 19 juli 2012 op grond van artikel 2 lid 1 zijn ingediend, zoals in het onderhavige verzoek het geval is, dienen te worden afgehandeld overeenkomstig het Instellingsbesluit zoals dat luidde voor 19 juli 2012.
Aangezien het thans geclaimde object behoort tot de groep kunstwerken waarop bovenstaande herziening ziet, namelijk niet tot de Nederlands-Kunstbezitcollectie behorende kunstwerken uit de rijkscollectie, maar vóór de inwerkingtreding van deze herziening werd ingediend (21 maart 2012), adviseert de commissie op grond van artikel 2 lid 1 jo. 4 van het Instellingsbesluit zoals dat luidde voor 19 juli 2012. Hieruit volgt dat de commissie dient te adviseren met inachtneming van het verruimde restitutiebeleid, gebaseerd op aanbevelingen van de Commissie Ekkart.

DE PROCEDURE

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de staatssecretaris heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens en de onderzoeksresultaten uit de zaak Oppenheimer (RC 1.67), in welke zaak de commissie op 4 februari 2008 een toewijzend advies heeft uitgebracht met betrekking tot twee schilderijen, en de zaak Oppenheimer II (RC 1.120), in welke zaak de commissie op 7 juni 2011 een toewijzend advies heeft uitgebracht met betrekking tot een bronzen beeld.
De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 28 januari 2013. Dit conceptrapport is bij brief van 4 februari 2013 voor commentaar toegezonden aan verzoekers, en bij brieven van dezelfde datum voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister van OCW en het RMA. Verzoekers hebben bij brief van 7 februari 2013 op het conceptrapport gereageerd, de minister heeft op 18 februari 2013 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen en het RMA heeft geen opmerkingen toegezonden. Het rapport is vastgesteld op 8 april 2013. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het betreffende rapport.

Verzoekers hebben zich tijdens de procedure voor de commissie laten vertegenwoordigen door E. Sterzing, advocate te Boulogne Billancourt.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers vragen teruggave van een zestiende-eeuws wandtapijt voorstellende de Kuisheid met twee putti. Het tapijt maakt onder inventarisnummer BK-1955-98 deel uit van de Nederlandse rijkscollectie. Verzoekers hebben gesteld dat zij de erfgenamen zijn van Rosa en Jakob Oppenheimer, die de aandelen van het Duitse Margraf-concern gelegateerd zouden hebben gekregen van Albert Loeske, de oprichter van het concern. De commissie heeft te dezen kennisgenomen van de door verzoekers toegezonden erfrechtelijke stukken, op grond waarvan de commissie geen aanleiding ziet te twijfelen aan de status van verzoekers als erfgenamen van Rosa en Jakob Oppenheimer.

  2. De relevante feiten zijn in het vastgestelde onderzoeksrapport beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. In 1912 richtte Albert Loeske de onderneming Margraf & Co. GmbH te Berlijn op, een bedrijf dat zich toelegde op de handel in juwelen en goud. In de daaropvolgende jaren breidde Loeske het Margraf-concern uit met diverse dochterondernemingen, waaronder de kunsthandels Van Diemen & Co. GmbH, Dr. Benedict & Co. GmbH, Dr. Burchard & Co. GmbH, alsmede de antiekzaak Altkunst & Co. GmbH. Deze bedrijven werden in opdracht van Loeske beheerd door de joodse kunsthandelaar Jakob Oppenheimer en diens echtgenote Rosa Oppenheimer-Silberstein. De genoemde kunsthandels waren op het moment van het overlijden van Loeske in 1929 uitgegroeid tot gerenommeerde bedrijven. Loeske liet de aandelen van zijn bedrijven aan het echtpaar Oppenheimer na. De afwikkeling van Loeskes nalatenschap werd echter vertraagd door een jarenlange rechtsstrijd die pas kort voor de machtsovername door de nationaal-socialisten in 1933 werd beslist.

  3. Kort na de komst van het naziregime in 1933 richtten de nazi-autoriteiten hun pijlen op het Margraf-concern, dat door hen werd beschouwd als de exponent van de ‘internationale joodse juwelen- en kunsthandel’. Op 1 april 1933 trachtten de nazi-autoriteiten Jakob en Rosa Oppenheimer te interneren, wat het echtpaar wist te voorkomen door naar Frankrijk te vluchten.

    De aandelen van het Margraf-concern zijn door deze ontwikkelingen nooit op naam gesteld van het echtpaar Oppenheimer. Na het overlijden van Loeske waren de aandelen in pand gegeven aan het belastingkantoor Tiergarten als zekerheid voor de betaling van het successierecht over de waarde van Loeskes nalatenschap. Nadat deze belastingschuld in 1937 betaald was, wilden de nazi-autoriteiten de aandelen alleen vrijgeven op voorwaarde dat deze zouden worden overgedragen aan de joodse Rosa Beer, die onder druk van de autoriteiten daarmee instemde. Zij was de erfgename van Loeskes overige vermogen en woonde nog in Duitsland. Door deze maatregel hielden de nazi’s greep op dit vermogen. Jakob Oppenheimer overleed in 1941 in Frankrijk. Rosa Oppenheimer-Silberstein werd later door de nazi’s gedeporteerd en is in 1943 in Auschwitz omgekomen. Hun drie kinderen overleefden de oorlog.

  4. Krachtens een besluit van het Landgericht Berlin van 2 december 1933 werd het Jakob Oppenheimer verboden om nog langer rechtshandelingen te verrichten met betrekking tot de diverse ondernemingen van het Margraf-concern. Als beheerder van het concern werd Bolko Freiherr von Richthofen, een goede bekende van Hermann Göring, aangesteld. Vanaf 1938 trad Von Richthofen op als liquidateur van deze bedrijven. Met het oog op de liquidatie van het Margraf-concern werden de voorraden van de dochterondernemingen op ten minste acht executieveilingen te gelde gemaakt. Volgens verzoekers betrof het gedwongen veilingen, die destijds bekend stonden als zogenoemde Judenauktionen.

  5. Het geclaimde object, een fragment van een wandtapijt voorstellende de Kuisheid met twee putti, was ooit onderdeel van een grotere voorstelling. Het tapijt is afgebeeld in een uitgave van het tijdschrift Pantheon uit 1928, als onderdeel van een advertentie voor de ‘Abteiling Antiquitäten’ van het Margraf concern. Het tapijt is eveneens afgebeeld in een uitgave van Weltkunst van 5 oktober 1930 met daarbij het onderschrift: ‘In the possession of Margraf & Co., Berlin’. Tot slot is het tapijt aangetroffen in een veilingcatalogus, getiteld ‘Die Bestände der Berliner Firmen / Galerie Van Diemen & Co /GMBH / Altkunst / Antiquitäten / GMBH / Dr. Otto Burchard & Co / GMBH / sämtlich in Liquidation’. Blijkens deze catalogus maakte het thans geclaimde tapijt deel uit van de handelsvoorraden van voormelde vennootschappen, die op 25 en 26 januari 1935 bij veilinghuis Paul Graupe te Berlijn onder de hamer kwamen. Het tapijt is als lotnummer 513 met afbeelding en uitgebreide omschrijving opgenomen in de betreffende veilingcatalogus. Of het wandtapijt op de veiling is verkocht, is onzeker. De identiteit van een eventuele koper is onbekend, evenals de lotgevallen van het tapijt tussen 1935 en 1955. Uit informatie ontvangen van het RMA blijkt dat het museum het geclaimde tapijt op 23 maart 1955 samen met een ander object heeft gekocht van ‘de kunsthandelaar G. Choulet te Brussel’ voor in totaal NLG 5539,97. Sindsdien maakt het object deel uit van de Nederlandse rijkscollectie.

  6. Bij het onderzoek is over het thans geclaimde tapijt geen naoorlogse correspondentie tussen de Nederlandse autoriteiten/het RMA en de erven Oppenheimer en/of (een dochteronderneming van) het Margraf-concern aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de betrokkenen zich destijds bewust zijn geweest van het feit dat het thans geclaimde object vanaf 1955 deel uitmaakte van de Nederlandse rijkscollectie. Wel blijkt uit documentatie van het Duitse Entschädigungsamt dat namens Firma Galerie Van Diemen & Co. GmbH (in liquidatie) in 1956 een verzoek tot schadevergoeding ten bedrage van RM 500.000,- is ingediend wegens vermogensschade ten gevolge van het tegen afbraakprijzen verkopen van schilderijen. Op 13 juni 1957 is aan deze firma een schadevergoeding van DM 75.000,- (het maximale bedrag) toegekend, wegens vermogensschade.

    Beoordeling claim:

  7. Gelet op hetgeen hiervoor onder “Beoordelingskader” is overwogen, kan op grond van het toepasselijke rijksbeleid met betrekking tot de restitutie van cultuurgoederen uit de rijkscollectie tot teruggave worden geadviseerd indien de eigendom in hoge mate aannemelijk is en het bezit van het geclaimde voorwerp onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  8. Met betrekking tot de eigendom van het thans geclaimde tapijt heeft het onderzoek uitgewezen dat het object deel uitmaakte van de handelsvoorraad van een van de vennootschappen Galerie Van Diemen & Co GmbH, Altkunst Antiquitäten GmbH en Dr. Otto Burchard & Co GmbH, tezamen in liquidatie, al welke handelsvoorraden op 25 en 26 januari 1935 bij veilinghuis Paul Graupe te Berlijn onder de hamer kwamen. De commissie heeft zich de vraag gesteld of het tapijt tot de oude handelsvoorraad (ingekocht door de eigenaar) of de nieuwe handelsvoorraad (ingekocht door Von Richthofen) heeft behoord. Bij het onderzoek is geen verwervingsdatum aangetroffen, maar op grond van de in overweging 5 genoemde vermeldingen in Pantheon en Weltkunst uit respectievelijk 1928 en 1930 acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat het tapijt heeft behoord tot de oude handelsvoorraad.

  9. De commissie heeft voorts onderzocht of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat in deze zaak sprake is van onvrijwillig bezitsverlies, als bedoeld in de Aanbevelingen voor de kunsthandel 4 en 6 van de Commissie Ekkart. De vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen indien verzoekers aantonen dat sprake is van diefstal, confiscatie of gedwongen verkoop. Verzoekers hebben volgens de commissie voldoende aangetoond dat het tapijt is ingebracht op een door de nazi-autoriteiten ter uitvoering van anti-joodse maatregelen afgedwongen veiling. De commissie acht het in hoge mate waarschijnlijk dat het tapijt op deze veiling of bij een gelegenheid daarna uit het bezit is geraakt van de kunsthandel en dat daarbij sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies ten gevolge van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  10. De commissie heeft zich de vraag gesteld of de opbrengst van de executieveiling door het echtpaar Oppenheimer is ontvangen. Onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat dit het geval is. Gezien de aard en het doel van deze veiling en alle hiervoor beschreven omstandigheden tezamen genomen, in het bijzonder de vlucht van het echtpaar Oppenheimer in 1933, acht de commissie het uitermate onwaarschijnlijk dat het echtpaar iets van de veilingopbrengst heeft gezien. De commissie is derhalve van mening dat de opbrengst van de executieveiling te dezen buiten beschouwing moet worden gelaten.

  11. Omtrent de in 1957 door de Duitse autoriteiten uitgekeerde schadevergoeding voor het geleden verlies (overweging 6) overweegt de commissie het volgende. Voor zover al zou zijn vast te stellen welk deel van de betaalde vergoeding betrekking heeft op het thans geclaimde tapijt, is een eventuele afdracht van deze geldsom een aangelegenheid tussen de erven Oppenheimer en de Duitse staat.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het tapijt ‘Kuisheid met twee putti’ uit de Nederlandse rijkscollectie (inventarisnummer BK-1955-98) te restitueren aan de erfgenamen van Rosa en Jakob Oppenheimer.

Aldus vastgesteld op 8 april 2013 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)