Hamburger

NK 223, Schaal van geglazuurd aardewerk met polychroom decor van buste van profeet en een rand met grotesken (Italië, 17de eeuw)

Advies inzake Hamburger

Dossiernummer: 
RC 1.137
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
4 maart 2013
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 13 december 2012 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van 19 november 2012 van XX te Y, Zwitserland (hierna: verzoekster) tot teruggave van drie schotels van keramiek uit de Nederlands Kunstbezitcollectie (NK-collectie). Het betreft de volgende objecten:

- NK 223, Schaal van geglazuurd aardewerk met polychroom decor van buste van profeet en een rand met grotesken (Italië, 17de eeuw);

- NK 444, Bord van geglazuurd aardewerk en polychroom decor met rozet en arabesken (Spanje, 16de eeuw);

- NK 575, Bord van geglazuurd aardewerk met polychroom decor met vrouwenbuste  (Italië, 16de eeuw).

DE PROCEDURE

De aanleiding voor de claim voor verzoekster was een brief van Bureau Herkomst Gezocht uit 2007, waarmee verzoekster op de hoogte wordt gesteld van het bestaan van de objecten uit de collectie van haar vader en de mogelijkheid een claim in te dienen. In de daaropvolgende correspondentie met Bureau Herkomst Gezocht heeft verzoekster kenbaar gemaakt dat zij prijs stelde op restitutie van de betreffende objecten.
Bij brief van 19 november 2012 aan de minister heeft verzoekster dit herhaald en om een spoedige behandeling van haar verzoek gevraagd. Op grond van de leeftijd van verzoekster en vertraging die de zaak in het voortraject opliep, heeft de commissie besloten om dit verzoek versneld en met prioriteit boven andere verzoeken te behandelen. Naar aanleiding van de adviesaanvraag van 13 december 2012 van de minister heeft de commissie een onderzoek ingesteld naar de feiten, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 19 februari 2013, dat op dezelfde datum ter commentaar is toegezonden aan verzoekster. Deze heeft hierop per e-mail van 22 februari 2013 inhoudelijk gereageerd. Het rapport is vastgesteld op 4 maart 2013. In dit advies zal worden volstaan met de hieronder weergegeven samenvatting van de feiten.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekster vraagt teruggave van drie objecten van keramiek uit het voormalig bezit van haar vader in hoedanigheid van erfgename. Verzoekster is de dochter van mr. Gustaaf Hamburger (1887-1977). Zij heeft verklaard enig erfgename te zijn van haar vader en de commissie ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze status van verzoekster.

  2. Gustaaf Hamburger werd in 1887 geboren te Utrecht. In 1920 richtte hij met anderen de bank Hamburger & Co’s Bankierskantoor N.V. te Amsterdam op. Hamburger woonde in Laren en verzamelde kunst, waaronder keramiek. In 1939 of 1940 wist Gustaaf Hamburger met zijn vrouw naar de Verenigde Staten te ontkomen met achterlating van een groot deel van zijn bezittingen in Nederland. Zijn huis in Laren, met een deel van zijn kunstbezit, werd gedurende de bezetting geconfisqueerd door de Wehrmacht. Andere delen van zijn kunstcollectie, die Hamburger in bewaring had gegeven, werden tijdens de bezetting door de nazi-autoriteiten aangemerkt als vijandelijk bezit, geconfisqueerd en verkocht.

  3. Op grond van de aangetroffen onderzoeksgegevens acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat de thans geclaimde objecten NK 223, NK 444 en NK 575 behoorden tot de collectie van Gustaaf Hamburger en zijn eigendom waren. De commissie leidt dit onder meer af uit het feit dat twee omschrijvingen op een taxatielijst uit 1935 van goederen uit de collectie van Hamburger sterk overeenkomen met het huidige NK 223 en NK 575.

  4. Een groot deel van de kunstcollectie van Hamburger, waaronder naar alle waarschijnlijkheid de onderhavige geclaimde objecten, is tijdens de bezetting geconfisqueerd door de Dienststelle Mühlmann, een Duitse roofinstelling. Ten aanzien van de drie thans geclaimde objecten is bekend dat deze door de Dienststelle Mühlmann werden doorverkocht aan een Duitse koper. Uit naoorlogse gegevens, opgesteld ten behoeve van de recuperatie van de werken, blijkt immers dat de betreffende Duitse koper ten aanzien van de drie onderhavige objecten heeft verklaard dat hij ze via Mühlmann had verworven uit de ‘Slg. Hamburger’.

    De commissie concludeert dat uit de hierboven omschreven omstandigheden tevens volgt dat sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

  5. Nog voor de bevrijding nam Gustaaf Hamburger vanuit de VS contact op met de Nederlandse regering in ballingschap en verstrekte hij informatie over zijn eigendommen, waaronder zijn kunstcollectie, zoals hij die op 10 mei 1940 in Nederland had moeten achterlaten. Na de bevrijding werden de thans geclaimde objecten door de geallieerden gerecupereerd en teruggevoerd naar Nederland. Hamburger vroeg diverse objecten uit zijn collectie terug, maar slechts ten aanzien van één van de thans geclaimde objecten, NK 575, is om teruggave verzocht. Kennelijk was Hamburger niet op de hoogte van recuperatie van de twee overige, thans geclaimde objecten.

  6. Het is niet duidelijk geworden waarom het teruggaveverzoek ten aanzien van NK 575 na de oorlog niet tot een daadwerkelijke teruggave heeft geleid. De procedure lijkt erop te zijn gestrand dat Hamburger naar het oordeel van de SNK aanvankelijk niet stellig genoeg was in zijn identificatie van het bord. In 1950 verzocht Hamburger nogmaals het voorwerp te mogen bekijken, hetgeen werd toegestaan. Er is echter geen hierop volgende correspondentie over de schaal aangetroffen.

    De commissie overweegt dat deze naoorlogse behandeling volgens de beleidscriteria, zeker in het licht van de mogelijkheid tot identificatie van het object op grond van thans aanwezige gegevens, geen beletsel is voor de ontvankelijkheid van verzoekster in haar huidige claim. De commissie acht het verzoek dan ook toewijsbaar.

  7. Tot slot moet de vraag worden beantwoord of tegenover restitutie van de geclaimde objecten een betalingsverplichting zou moeten worden gesteld in verband met een eventueel ontvangen tegenprestatie. Ingevolge het geldende restitutiebeleid is een verplichting tot terugbetaling uitsluitend aan de orde indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven de opbrengst daadwerkelijk ter vrije beschikking hebben gekregen. Hieromtrent overweegt de commissie allereerst dat onbekend is of voor de objecten enige koopsom is betaald. Uit de naoorlogse correspondentie kan worden afgeleid dat de Dienststelle Mühlmann slechts een gering aandeel van de totale waarde van de uit het bezit-Hamburger verworven objecten heeft vergoed.

    De commissie is van oordeel dat onder deze omstandigheden een betalingsverplichting in deze zaak achterwege kan blijven.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om NK 223, NK 444 en NK 575 te restitueren aan verzoekster.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 4 maart 2013 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                                     (E. Campfens, secretaris)

Gerelateerde adviezen: