Herbert Gutmann

Advies Herbert Gutmann

Dossiernummer: 
RC 1.157
Soort advies: 
Rijkscollectie
Adviesdatum: 
14 oktober 2019
Periode bezitsverlies: 
1933-1940
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

Bij brief van 24 juni 2015 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het verzoek tot teruggave van dertien objecten uit de Rijkscollectie. Bij brief van 21 december 2017 heeft de minister het adviesverzoek aangevuld met nog een object. Het verzoek heeft betrekking op delen van het zogenoemde stadhouderservies, een met aan Nederland en Nederlands-Indië gerelateerde taferelen gedecoreerd porseleinen Meissen servies. Het verzoek om teruggave is op 28 november 2014 bij de minister ingediend door advocaat Olaf Ossmann, te Winterthur, Zwitserland, namens AA en BB, CC, DD, EE en FF (hierna: verzoekers). Verzoekers stellen gerechtigd te zijn tot de nalatenschap van Herbert Gutmann (1879-1942) en stellen dat hij het bezit van de thans geclaimde objecten onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. De minister laat zich in deze zaak vertegenwoordigen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar onvrijwillig het bezit heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime en die:
a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
            Ingevolge het vijfde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder b, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
            Ingevolge het zesde lid kent de commissie bij haar adviestaak, bedoeld in het eerste lid, groot gewicht toe aan de omstandigheden van de verwerving door de bezitter en de mogelijkheid van kennis van de verdachte herkomst ten tijde van de verwerving van het betrokken cultuurgoed.

De procedure

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een feitenoverzicht van 16 april 2018. De minister heeft hierop gereageerd bij email van 22 oktober 2018. Verzoekers hebben gereageerd bij brieven van 27 juni 2018, 31 oktober 2018 en 21 februari 2019.
            Op 4 september 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de zijde van verzoekers zijn daar verschenen verzoeker CC, hun advocaat Olaf Ossmann en Beate Schreiber, werkzaam bij onderzoeksbureau Facts & Files te Berlijn. Namens de minister zijn verschenen GG, adviseur bij de RCE, HH, jurist bij het Rijksmuseum, II, algemeen directeur van Het Loo en JJ, sectorhoofd collectie en informatie van het Zuiderzeemuseum.

Dr. J.F. Cohen heeft de commissie in deze zaak bijgestaan als adviseur.

Overwegingen

1.    De commissie heeft de relevante feiten vastgesteld aan de hand van het feitenoverzicht van 16 april 2018, de daarop ontvangen reacties en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting.

Herbert Gutmann
2.    Herbert Gutmann was een zoon van bankier Eugen Gutmann (1840-1925) en diens vrouw Sophie Magnus. Het echtpaar kreeg zeven kinderen: Lili, Antonie, Walter, Herbert, Kurt, Max en Fritz. In 1898 ging de van oorsprong joodse Eugen Gutmann met zijn gezin over tot het protestantisme. De kinderen werden protestants opgevoed. In het gezin was veel aandacht voor kunst en cultuur. Vader Eugen bracht een beroemde kunstverzameling bijeen en veel van zijn kinderen zouden ook een verzameling opbouwen of zelf artistieke activiteiten ontplooien. Eugen Gutmann bekleedde gedurende 48 jaar een positie in de directie van de Dresdner Bank. Zijn zoon Herbert werd opgeleid in het bankiersvak en maakte snel carrière binnen de bank. Hij was in 1906 een van de oprichters van de Deutsche Orientbank. In 1910 trad hij toe tot de leiding van de Dresdner Bank.
       In 1913 trouwde Herbert Gutmann met Daisy von Frankenberg und Ludwigsdorf (1889-1959). Het echtpaar kreeg drie kinderen, Luca (1914), Fred (1916) en Marion (1921). Aanvankelijk woonde het gezin afwisselend in Berlijn en Potsdam. Na enige tijd betrokken zij definitief een woning aan de Jungfernsee in Potsdam. De vele verbouwingen aan het huis van Gutmann, de Herbertshof, hadden mede tot doel zijn groeiende kunstcollectie een passend onderkomen te bieden.

3.    In 1931 brak in Duitsland een bankencrisis uit. De Duitse overheid zag zich gedwongen diverse banken met kapitaalinjecties te ondersteunen. De Dresdner Bank ontving een kapitaalinjectie van 300 miljoen Reichsmark (RM) en werd uiteindelijk op 20 augustus 1931 feitelijk gedeeltelijk genationaliseerd. Op 24 augustus 1931 werd de Deutsche Orientbank deels overgenomen door de Dresdner Bank, waartoe de Duitse overheid RM 15 miljoen verstrekte om gemaakte schulden te vereffenen. Nadat de Rijksregering de noodmaatregelen voor de kapitaalreconstructie van de banken had doorgevoerd, voerde zij diverse personele wijzigingen door. Rijkskanselier Heinrich Brüning had eerder al aangekondigd dat aan iedere garantie van de zijde van de overheid de eis verbonden werd dat ieder lid van de directie indien gewenst zou aftreden. Omdat de Duitse overheid een meerderheid van de aandelen in handen had, kon zij deze herschikking zonder al te veel problemen afdwingen. Bij diverse banken moesten directieleden opstappen. Ook in de pers werd aangedrongen op het aftreden van bankbestuurders, onder wie Herbert Gutmann. Op 9 september 1931 werd hij gedwongen om zijn functies bij de Dresdner Bank en de Deutsche Orientbank neer te leggen.
       De bankencrisis en de Joodse afkomst van een deel van de voor de crisis verantwoordelijk gehouden bestuurders werd door de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) tot inzet van de verkiezingscampagne van 1932 gemaakt en de pijlen werden daarbij onder meer gericht op Herbert Gutmann, zoals blijkt uit het hierboven weergegeven verkiezingsaffiche waarop Gutmann is afgebeeld (geheel links):

4.    Na zijn ontslag in 1931 kreeg Gutmann van de Dresdner Bank geen salaris meer. Wel bekleedde Gutmann aanvankelijk nog ongeveer 50 bestuursfuncties bij ondernemingen in binnen- en buitenland. In reactie op de bankencrisis kondigde Brüning op 19 september 1931 echter een noodverordening af waarin een beperking van het aantal bestuursfuncties binnen Duitsland was opgenomen, tot maximaal twintig per individu. Daarna nam het aantal bestuursfuncties van Gutmann af, en daarmee namen ook zijn inkomsten uit hoofde van die functies af.

De machtsovername door de nazi’s
5.    Toen de nazi’s in januari 1933 de macht grepen, werd de Dresdner Bank al snel ‘geariseerd’. Op grond van het Gesetz zur Wiederherstellung des Berufsbeamtentums van april 1933 werden Joodse werknemers massaal ontslagen. NSDAP’ers werden juist binnengehaald, ook in het hoogste segment van de bank
       De machtsovername door de nazi’s had al snel gevolgen voor Gutmann en zijn familie. Hij verloor veel van zijn bestuursfuncties. Voor in ieder geval een aanzienlijk deel hiervan lag de reden in het feit dat de betreffende ondernemingen geen Joodse toezichthouders meer wilden hebben. Ook wilden veel ondernemingen geen Joodse aandeelhouders meer hebben. De nazi-minister voor propaganda Joseph Goebbels bemoeide zich in 1933 persoonlijk met de overdracht van de 9% van de aandelen ter waarde van RM 90.000 die Gutmann bezat van Auskunftei W. Schimmelpfeng GmbH. In 2015 heeft het Bundesamt für zentrale Dienste und offene Vermögensfragen (het BADV) in verband met deze gedwongen aandelenoverdracht besloten tot schadevergoeding. Daarbij overwoog het BADV over de rol van Goebbels: ‘Es ist fraglich, ob sich Goebbels 1933 für die Auskunftei Schimmelpfeng interessiert hätte, wenn nicht Herbert Gutmann Teilhaber gewesen wäre.’

6.    Vanaf 1933 kwam Gutmann verder in financiële moeilijkheden. Terwijl zijn inkomsten afnamen, werd hij door de Dresdner Bank geconfronteerd met enkele substantiële vorderingen. Eén van deze vorderingen was ontstaan als gevolg van Gutmanns deelname aan het zogenoemde Dresdner Bank Aktien-Syndikat von 1927. De deelnemers aan dit syndicaat leenden van de Dresdner Bank geld om aandelen in de bank te kunnen kopen. Na de crisis van 1931 volgden maatregelen om de zo goed als failliete Dresdner Bank te versterken. Daarbij ontstond de vraag of aan de deelname aan het bovengenoemde syndicaat aansprakelijkheden verbonden waren. Hoewel juridische adviseurs deze vraag in 1932 ontkennend beantwoordden, vroeg de Dresdner Bank toch betaling van een bedrag (20% van de nominale waarde) door de deelnemers. Gutmann betaalde het door de Dresdner Bank gevraagde bedrag, wat in zijn geval neerkwam op RM 50.000, door in mei 1933 een maandelijkse korting van RM 1000 te accepteren op zijn door de Dresdner Bank uit te betalen transitie-uitkering van jaarlijks in totaal RM 42.000. Op 8 mei 1933 liet Herbert Gutmann een ‘Sicherungshypothek’ registreren tot zekerheid van de vordering die de Dresdner Bank op hem had.

7.    Een tweede vordering van de Dresdner Bank op Gutmann vloeide voort uit de activiteiten van de mede door Gutmann opgerichte Deutsche Orientbank. Gutmann was directielid van deze bank en had met andere directieleden een syndicaat gevormd dat op de prijsontwikkeling van Egyptisch katoen speculeerde door middel van termijncontracten (hierna ook: het Egyptisch katoenfonds). De vier directieleden van de Deutsche Orientbank, onder wie Gutmann, stonden garant voor de rekening onder de naam ‘Hugo Lindemann. Cte Special, Alexandrien’. De Deutsche Orientbank had de rekening aanvankelijk per 27 december 1932 gesloten en het debetsaldo van ongeveer 54.097 Egyptische ponden (EGP) afgeschreven. Nadat op 16 maart 1933 de Deutsche Orientbank geheel was overgenomen door de Dresdner Bank, met terugwerkende kracht tot 31 december 1932, besloot de Dresdner Bank de eerdere afschrijving te onderzoeken. Zodoende ontdekte men dat Gutmann en de andere drie directieleden zich garant hadden gesteld voor de betreffende rekening. Op 22 december 1933 verzocht het hoofdkantoor het filiaal van de Dresdner Bank te Alexandrië de eerder afgeschreven rekening te heropenen. Op 28 december 1933 stelde de Dresdner Bank Herbert Gutmann persoonlijk aansprakelijk voor aanzuivering van de schuld die gewaardeerd werd op EGP 54.097, een bedrag dat overeenkwam met ongeveer RM 760.000, en werd Gutmann gevraagd met voorstellen te komen om deze schuld te voldoen. Ook de drie andere directieleden werden door de Dresdner Bank persoonlijk aansprakelijk gesteld.

8.    Volgens een door verzoekers overlegd overzicht was de financiële situatie van Gutmann in december 1933 als volgt. Hij had een totale schuld van RM 430.000 aan de Dresdner Bank, bestaande uit een schuld ter hoogte van RM 50.000 voortvloeiend uit zijn deelname aan het Dresdner Bank Aktien-Syndikat, een debetrekening bij de Dresdner Bank ter hoogte van RM 200.000 en de schuld die voortvloeide uit zijn garantstelling voor het Egyptisch katoenfonds ter hoogte van zijn aandeel van RM 180.000. Tegenover deze schulden stonden bezittingen ter waarde van in totaal RM 520.000. Deze werden gevormd door de hypotheek op de Herbertshof ter waarde van RM 200.000 en een aandelenportefeuille ter waarde van RM 320.000.

9.    Gutmann antwoordde op 4 januari 1934 op voormelde brief van de Dresdner Bank van 28 december 1933. Hij benadrukte hierin dat hij voor de schulden van het Egyptisch katoenfonds slechts voor 25% aansprakelijk was, net zoals de andere partners. Wat betreft de door de bank gevraagde voorstellen om zijn schuld te voldoen, wees Gutmann erop dat hij zijn schuld zou voldoen met de opbrengst van de Herbertshof in het geval de waarde van zijn aandelenportefeuille onvoldoende zou stijgen om daarmee zijn schulden te kunnen voldoen. Volgens Gutmann was dit ook zo afgesproken en liep de bank geen enkel risico. Hij schreef daarnaast: ‘Ich kann Ihnen aus irgendwelchen anderen Vermögenswerten nichts bezahlen’, en verzocht de bank te wachten totdat het gelukt was de Herbertshof te verkopen. Ook verzocht hij de bank nadrukkelijk hem niet te dwingen de Herbertshof tegen een ongunstige prijs te verkopen.
       Op enig moment hierna moet Gutmann besloten hebben zijn kunstcollectie te laten veilen. In een memo van de Dresdner Bank van 20 februari 1934 wordt gesproken over de opbrengst van de 'Graupe-Auktion’. Op 12, 13 en 14 april 1934 kwam de kunstcollectie van Gutmann onder de hamer bij veilinghuis Graupe. De opbrengst werd gebruikt om schulden van Gutmann aan de Dresdner Bank te voldoen.

10.   Zoals hiervoor beschreven vloeide een deel van de schulden voort uit de betrokkenheid van Gutmann bij het Egyptisch katoenfonds. Uit de voorhanden stukken kan worden afgeleid dat Gutmann uiteindelijk voor een kwart van de totale schuld van EGP 54.097 was aangeslagen, dat wil zeggen EGP 13.524. Dit bedrag in Egyptische ponden was, afhankelijk van de actuele valutakoers, equivalent aan ongeveer RM 180.000 tot RM 190.000. Gutmann kreeg toestemming dit bedrag in Reichsmark te voldoen.
       Nadat de kunstcollectie was geveild, stelde de Dresdner Bank in juni 1934 echter vast dat de totale schuld voortvloeiend uit de betrokkenheid bij het Egyptisch katoenfonds slechts op een kwart van het bedrag van EGP 54.097 had mogen worden gewaardeerd. Uit de beschikbare documentatie kan evenwel niet worden afgeleid dat dit later nog met Gutmann is verrekend.

11.   Ook de drie andere voormalige directieleden van de Dresdner Bank dan wel de Deutsche Orientbank die zich garant hadden gesteld voor het Egyptisch katoenfonds, werden door de Dresdner Bank persoonlijk aansprakelijk gesteld. Twee van hen waren net als Gutmann van Joodse afkomst. Het enige voormalige directielid dat niet van Joodse afkomst was, Curt Lebrecht, had grote schulden aan de Dresdner Bank en kon daar beperkte bezittingen tegenover stellen. De Dresdner Bank dwong bij Lebrecht echter geen betaling af, maar sloot uiteindelijk in 1938 een overeenkomst met hem over de afbetaling van zijn schulden. Daarbij werd de schuld van Lebrecht gereduceerd en werd de toen 51-jarige Lebrecht in de gelegenheid gesteld om deze schulden uiterlijk op zijn 65e verjaardag te voldoen.

12.   Twee weken na de veiling, op 28 april 1934, betrok het gezin Gutmann de nabijgelegen Villa Alexander. Op 30 juni 1934, de 'Nacht van de Lange Messen', werden door heel Duitsland reële en vermeende vijanden van de NSDAP gevangengezet of vermoord. Gutmann, die bekend stond als een aanhanger van de Deutsche Demokratische Partei, werd door de SS gearresteerd en naar het Polizeipräsidium in Potsdam overgebracht. Die avond werd hij teruggevoerd naar Villa Alexander, waar hij samen met negen andere arrestanten, onder wie Konrad Adenauer, door veertien SS-bewakers werd bewaakt. De volgende dag werd het arrest opgeheven.
       Op 12 november 1936 verliet Gutmann Duitsland en reisde hij naar Zwitserland en uiteindelijk door naar Londen. Hij vond daar werk als commissionair in effecten. Zijn vrouw Daisy reisde in 1937 nog enkele keren naar bekenden in Potsdam. In oktober 1937 week zij uit naar Londen. Ook hun kinderen weken uit, naar respectievelijk Groot‑Brittannië en de Verenigde Staten.

13.   Gutmann werd door de nazi´s verplicht om Reichsfluchtsteuer en Judenvermögensabgabe te betalen. Het bedrag aan Reichsfluchtsteuer bedroeg RM 89.000. Op 8 maart 1939 schreef Gutmann aan het Finanzamt Moabit-West, dat hij geen contante middelen meer tot zijn beschikking had en verwees hij de belastingdienst naar een eerder schrijven van 12 december 1938, waarin hij ter zekerheid tot de afdracht van Judenvermögensabgabe de hypotheek op zijn landgoed Herbertshof ter beschikking stelde. Het landgoed Herbertshof werd op 6 mei 1939 voor RM 150.000 verkocht aan de Volksbund der Deutschen im Ausland. Op 27 november 1940 werden Gutmanns resterende bezittingen geconfisqueerd. Op 18 maart 1941 werd Gutmann zijn Duitse nationaliteit ontnomen en werden zijn resterende bezittingen verbeurd verklaard. In een document van de Gestapo van 26 april 1941 aan het Finanzamt Moabit-West te Berlijn is vermeld dat de zich nog in Duitsland bevindende vermogensbestanddelen van Herbert Gutmann door de Gestapo Potsdam inbeslaggenomen waren. Het betrof, volgens het overzicht, ‘ein Auswandererguthaben in Höhe von 5.589.93 RM’ en ‘ein Vorzugs-Sperr-Guthaben in Höhe von 1.016,50 RM’.

14.   Herbert Gutmann werd in 1939 ernstig ziek. Hij onderging een operatie, maar herstelde niet meer volledig. Herbert Gutmann overleed op 22 december 1942. Zijn echtgenote Daisy overleed in 1959.

15.   Na de oorlog zijn compensatie- en restitutieclaims ingediend bij de Duitse autoriteiten. Verzoekers hebben verklaard dat er geen compensatie is ontvangen voor de thans geclaimde objecten. Wel zijn er andere schadevergoedingen betaald. Op 28 februari 1956 en 13 oktober 1956 werden schadebedragen betaald van DM 18.750 en DM 7.800 vanwege Judenvermögensabgabe en Reichsfluchtsteuer. Op 9 januari 1958 werd een schadebedrag van DM 60.000 erkend vanwege het verlies van inboedel. Daarnaast is compensatie uitgekeerd voor verlies van inkomen. In 1992 werd de Herbertshof aan de kinderen van Gutmann gerestitueerd.
        Meer recente restituties betreffen de teruggave in 2008 door de gemeente Wenen van het schilderij De dood van Pappenheim door Hans Makart en de teruggave in 2010 door de Duitse Bundestag van een portret van Bismarck door Franz von Lenbach. In datzelfde jaar adviseerde de Britse Spoliation Advisory Panel om het schilderij De kroning van de maagd door Peter Paul Rubens in de Courtauld Gallery niet te restitueren.

De geclaimde objecten
16.   Het verzoek om teruggave heeft betrekking op veertien delen porseleinen Meissen servies, die zich bevinden in Het Loo, het Rijksmuseum en het Zuiderzeemuseum. Alle objecten zijn onderdeel van de Rijkscollectie en eigendom van de Staat der Nederlanden. Het betreft de volgende objecten:
a)   een sauskom met een voorstelling van een gezicht op Maarssen (Het Loo; inventarisnummer RL306)
b)   een sauskom met een voorstelling van een gezicht op Loenen (Het Loo; inventarisnummer RL307)
c)   een bord met een voorstelling van huis Vegtvliet te Breukelen (Het Loo; inventarisnummer RL338);
d)   een bord met een voorstelling van het VOC-huis te Delft (Het Loo; inventarisnummer RL343);
e)   een bord met een voorstelling van een gezicht op de Catharijnepoort in Utrecht (Het Loo; inventarisnummer KL65);
f)   een bord met een voorstelling van een gezicht op de Lutherse kerk te Medemblik (Het Loo; inventarisnummer KL80);
g)   een bord met een voorstelling van de stad Leiden (Het Loo; inventarisnummer RL8857);
h)   een bord met een voorstelling van Den Haag (Rijksmuseum, inventarisnummer BK‑1964-5);
i)    een bord met een voorstelling van de Denenburger Poort te Enkhuizen (Zuiderzeemuseum; inventarisnummer 007797 a);
j)    een bord met een voorstelling van Domburg en Blauwe Poort te Enkhuizen (Zuiderzeemuseum; inventarisnummer 007797 b);
k)   een bord met een voorstelling van Enkhuizen (Zuiderzeemuseum; inventarisnummer 007797 c);
l)    een bord met een voorstelling van Het Oostindische huis te Enkhuizen (Zuiderzeemuseum; inventarisnummer 007797 d);
m) een bord met een voorstelling van Het Oostindische compagnie huis te Hoorn (Zuiderzeemuseum; inventarisnummer 007797 e);
n)   een bord met een voorstelling van Harderwijk (Zuiderzeemuseum; inventarisnummer 007797 f).

De twaalf borden
17.   Zoals hiervoor al vermeld kwam op 12, 13 en 14 april 1934 de kunstcollectie van Gutmann onder de hamer bij veilinghuis Graupe. De bijbehorende veilingcatalogus vermeldt 848 lotnummers. Lotnummer 357 betrof 24 borden die ooit deel uitmaakten van het Meissen servies van stadhouder Willem V. In de veilingcatalogus staan de borden als groep van 24 borden vermeld, maar worden ze niet individueel omschreven:
       357.           Vierundzwanzig flache Teller. Bunt bemalt und über Reliefdekor vergoldet. Im Spiegel in Goldrocaillenumrahmung Ansichten von holländischen Städten, Schlössern und Landhäusern und von kolonialen Ortschaften. Auf dem passig geschweisten Rand drei ovale Kartuschen mit Blumenfüllung und als Einfassung blaue Staffierung und gezahnte Goldleiste. Meißen, um 1765. Schwertermarke mit Punkt. Vier Teller am Rand etwas bestoßen. Durchm. 24cm. Tafel 42

Bij het lotnummer staat verder de volgende omschrijving:
       Die Teller gehören zu einem angeblich für einen holländischen Statthalter angefertigtes Speiseservice, das vielleicht von dem Porzellanmaler Borrmann entworfen und bemalt wurde. (...) Weitere Teile des Geschirrs jetzt in den Museen von Hamburg, Dresden, Stuttgart. Dargestellt sind u.a. auf den vorliegenden Tellern: Ansicht vom Haag, Utrecht, Leyden, Deventer, Middelburgh, Delft, Batavia in Ostindien u.a.

Op de afbeelding uit de veilingcatalogus zijn drie borden uit het servies te zien, waaronder in het midden het thans geclaimde bord met een voorstelling van Het Oostindische compagnie huis te Hoorn uit het Zuiderzeemuseum met inventarisnummer 007797e.

18.   De 24 borden, met een richtprijs van RM 1500, zijn bij Graupe verkocht aan een onbekende koper voor in totaal RM 790. Hierna duiken de borden pas op 12 oktober 1962 weer op bij een veiling bij veilinghuis Fritz Nagel te Stuttgart, ditmaal onder lotnr. 85 bij een veiling van objecten ‘Aus einer Schlesischen Sammlung’. Onbekend is wie de eigenaar was. De globale omschrijving van het lot in de catalogus van Nagel vertoont sterke overeenkomsten met de omschrijving van de 24 borden uit de collectie-Gutmann in de catalogus van Graupe uit 1934. Daarnaast wordt in de catalogus van Nagel over de borden vermeld:
(…) Früher Sammlung Gutmann, Versteigerung Paul Graupe 1934.
Op de veiling bij Nagel werden de borden in zes kavels van elk vier borden verkocht (85a t/m 85f). In de veilingcatalogus worden de op de borden afgebeelde voorstellingen kort omschreven. Twaalf van de omschreven voorstellingen corresponderen met de voorstellingen van de twaalf thans geclaimde borden. Van RL8857 is een afbeelding opgenomen in de veilingcatalogus.

19.   Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de 24 borden, of in ieder geval de twaalf thans geclaimde, op de veiling in 1962 zijn verworven door of voor de Amsterdamse kunsthandel A. van der Meer. Alle twaalf geclaimde borden hebben deze kunsthandel als herkomst. De zes borden in het Zuiderzeemuseum zijn in 1963 rechtstreeks bij Van der Meer aangekocht voor in totaal NLG 8100. Het bord in het Rijksmuseum is in 1964 aangekocht bij Van der Meer voor NLG 1500. De inventariskaart uit het Rijksmuseum vermeldt als herkomst van dit bord onder meer de veiling bij Graupe in 1934 uit de collectie van Herbert Gutmann.
      De herkomst van de vijf borden in Het Loo is niet identiek. De twee borden met inventarisnummers RL338 en RL343 zijn in 1976 aangekocht bij kunsthandel Bernhard Stodel te Amsterdam. De door Het Loo opgestelde herkomstrapportage vermeldt als eerdere herkomsten Fa. Nijstad Antiquairs te Lochem (1967) en Van der Meer. 
      Deze zelfde herkomstrapportage vermeldt als herkomst van de twee borden met de inventarisnummers KL65 en KL80 ‘Van der Meer’, gevolgd door ‘collectie Buma’ in Heemstede. In 1975 verwierf koningin Juliana beide borden om ze in bruikleen te geven aan Het Loo. Beide borden werden in 1978 en 1979 verworven voor Het Loo door de Stichting ’t Konings Loo. 
      Het bord met inventarisnummer RL8857 is in 2003 voor EUR 12.500 voor Het Loo aangekocht door Stichting ’t Konings Loo bij kunsthandel Salomon Stodel te Amsterdam. De door Het Loo opgestelde herkomstrapportage van dit bord vermeldt als herkomst Van der Meer.

De twee sauskommen in Het Loo
20.   Naast de 24 borden kwamen op de veiling van de kunstcollectie van Gutmann in 1934 bij Graupe twee sauskommen uit hetzelfde servies als de borden onder de hamer onder lotnummer 358. Deze kommen werden in de catalogus als volgt omschreven:
358 Ein Paar kleine Saucièren. Aus dem gleichen Service wie die vorhergehenden Teller, mit entsprechender Dekorierung. Ovaler Körper mit beiderseitigem Schnabelausguß, zwei seitlichen Henkeln und vier Volutenfüßschen (einer etwas bestoßen). Meißen, um 1756. Blaue Schwertermarke mit Punkt. H. 9cm
De twee sauskommen zijn op de veiling niet verkocht.

21.   De twee thans geclaimde sauskommen met inventarisnummers RL306 en RL307 zijn in 1975 door Het Loo aangekocht bij kunsthandel Bernhard Stodel te Amsterdam met steun van de Vereniging Rembrandt. In het door Abraham den Blaauwen in 1975 geschreven artikel ter gelegenheid van de verwerving is onder meer over de twee sauskommen vermeld: ‘(...) in de verz. H.M. Gutmann, Herbertshof bij Potsdam (in 1934 te Berlijn geveild: 26 delen, waarbij twee sauskommen, vermoedelijk de twee, die nu door Het Loo zijn gekocht)’.
Het Loo komt in zijn herkomstrapportage van 12 maart 2015 tot de conclusie dat beide sauskommen afkomstig zijn uit de collectie van Herbert Gutmann.

Het belang van de objecten voor de Staat
22.   Volgens de minister zijn de objecten een belangrijk voorbeeld van een directe Nederlandse opdracht aan de Meissen porseleinfabriek. Het servies werd door de bewindhebbers van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) besteld als geschenk voor stadhouder Willem V en is gedecoreerd met verschillende voor de VOC belangrijke plaatsen, topografische afbeeldingen van Nederland en van handelsposten van de VOC. Het oorspronkelijke servies bestond uit meer dan 435 delen. Het is een van de vroegste topografische serviezen die in Meissen zijn vervaardigd. Het servies is volgens de minister voor Nederland van belang vanwege de bijzondere opdrachtverlening, de bijzondere kwaliteit van de objecten die zijn vergelijk niet heeft in de Collectie Nederland, de thematiek, de uniciteit van de objecten en het historisch topografisch belang.
        Volgens de minister is er voor de objecten in Het Loo een specifiek belang vanwege de relatie met stadhouder Willem V, een van de vroegere bewoners van Paleis Het Loo. Het werd zijn eigendom en/of voor zijn gebruik vervaardigd. Het servies wordt permanent geëxposeerd en krijgt vanwege zijn historische link met Willem V een prominente rol in het toekomstige Oranje Museum dat onderdeel van Het Loo zal zijn. Het Loo stelt zich ten doel om delen van het servies aan te kopen. De twee sauskommen behoren tot de vormstukken. Er zijn wereldwijd vijf vormstukken bekend, waarvan de overige drie zich in andere museale collecties bevinden. Inmiddels zijn in Het Loo 172 delen van dit servies verzameld.
        Volgens de minister vertelt het bord in het Rijksmuseum, dat slechts zeven objecten uit het gehele servies bezit, een verhaal dat kunst en geschiedenis, namelijk de biografie van Willem V, verbindt. Dit sluit direct aan bij de missie van het museum om mensen, kunst en geschiedenis te verbinden.
        De borden in het Zuiderzeemuseum zijn volgens de minister van historisch belang voor de Zuiderzeeregio vanwege de afbeeldingen die erop staan.

23.   Verzoekers hebben dit door de minister gestelde belang van de Staat bij behoud van de objecten betwist. Zij wijzen erop dat er geen historisch bewijs is dat het servies daadwerkelijk door de bewindhebbers van de VOC is besteld als geschenk voor stadhouder Willem V.

Beoordeling claim

24.   Verzoekers zijn nazaten van Herbert Gutmann. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan de status van verzoekers als erfgenamen van Gutmann.

Eigendom
25.   De commissie ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of de veertien thans geclaimde objecten deel uitmaakten van de kunstcollectie van Gutmann die op 12, 13 en 14 april 1934 onder de hamer kwam bij veilinghuis Graupe. Ten aanzien van de twaalf borden volgt uit de herkomstbeschrijving zoals opgenomen in 17 tot en met 19 dat deze vraag bevestigend kan worden beantwoord. Ten aanzien van de twee sauskommen overweegt de commissie dat Het Loo in zijn herkomstrapportage zelf tot de conclusie is gekomen dat beide objecten afkomstig zijn uit de collectie Herbert Gutmann en dat geen aanwijzingen zijn gevonden die aanleiding geven hieraan te twijfelen. De commissie concludeert derhalve dat het in hoge mate aannemelijk is dat de veertien thans geclaimde objecten ten tijde van de veiling bij Graupe in 1934 eigendom waren van Herbert Gutmann.

Bezitsverlies
26.   Gutmann heeft zijn kunstcollectie, waaronder de thans geclaimde objecten, in april 1934 ter veiling aangeboden bij veilinghuis Graupe. Van de twaalf borden staat vast dat ze op de veiling verkocht zijn. De twee sauskommen zijn niet verkocht op de veiling, maar aannemelijk is wel dat ze toen uit het bezit van Gutmann zijn geraakt. Op grond van de voorhanden stukken is de conclusie gerechtvaardigd dat Gutmann zich gedwongen zag zijn kunstcollectie te laten veilen, om zijn schulden aan de Dresdner Bank te kunnen voldoen. De veiling kan specifiek worden gekoppeld aan de vordering van de Dresdner Bank die voortvloeide uit de betrokkenheid van Gutmann bij het Egyptisch katoenfonds.
        Bij de beoordeling van de aard van het bezitsverlies door Gutmann komt, ook bij advisering naar maatstaven van redelijkheid in Rijkscollectiezaken, betekenis toe aan de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001 om verkopen door Joodse particulieren in Duitsland vanaf 1933 als gedwongen verkoop te beschouwen, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Dit laatste is naar het oordeel van de commissie niet het geval. De feiten die bekend zijn over de veiling van de kunstcollectie in 1934, en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, wijzen erop dat deze veiling onvrijwillig was door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. In dit verband wijst de commissie op het volgende.

27.   Op grond van de nazi-ideologie werd Gutmann, die zelf protestants was opgevoed nadat zijn vader zich tot het protestantisme had bekeerd, als Joods beschouwd. Gutmann werd door zijn rol in de Duitse bankencrisis en vanwege zijn Joodse afkomst al voor 1933 publiekelijk aan de schandpaal genageld door de nazi’s, zoals blijkt uit de verkiezingsposter van de NSDAP uit 1932. Na de machtsovername door de nazi’s kreeg Gutmann te maken met maatregelen die gericht waren op het ontnemen van bezit, waaronder de gedwongen overname van zijn aandelen Schimmelpfeng, waar Goebbels zich persoonlijk mee bemoeide. Ook zijn sympathie voor de Deutsche Demokratische Partei maakte dat Gutmann door het naziregime als vijand werd beschouwd. Op 30 juni 1934, tijdens de ‘Nacht van de Lange Messen’, werd Gutmann samen met andere vermeende tegenstanders van het naziregime opgepakt door de SS.

28.   In 1931 werd Gutmann gedwongen af te treden als directielid van de Dresdner Bank, nadat deze bank kort daarvoor gedeeltelijk was genationaliseerd. Als gevolg van de nationalisatie kregen de nazi’s al snel na de machtsovername in 1933 grote invloed op het handelen van de Dresdner Bank. Terwijl Joodse werknemers massaal op straat werden gezet, werden NSDAP’ers binnengehaald, ook in de top van de bank. Gutmann, die schulden had aan de bank en bovendien door de nazi’s werd bestempeld als een van de veroorzakers van de bankencrisis in 1931, kwam daarmee in een kwetsbare positie terecht ten opzichte van de ‘geariseerde’ Dresdner Bank.

29.   De oorsprong van de schulden van Gutmann aan de Dresdner Bank ligt voor 1933. Verzoekers hebben aangevoerd dat de schulden ‘gefabriceerd’ zouden zijn, omdat er voor 1933 niets over deze schulden is terug te vinden in officiële documenten. Wat betreft de vordering van de Dresdner Bank die voortvloeide uit de betrokkenheid van Gutmann bij het Egyptisch katoenfonds stelt de commissie vast dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat de Dresdner Bank begin 1934 Gutmann uiteindelijk voor zijn aandeel van 25% van de totale schuld van RM 760.000 heeft aangeslagen, terwijl de bank later dat jaar het standpunt innam dat deze totale schuld slechts op een kwart van het bedrag van RM 760.000 had mogen worden gewaardeerd. Er is evenwel niet gebleken dat dit later is gecorrigeerd.

30.   Daarnaast kan uit de voorhanden informatie worden afgeleid dat eind 1933 tegenover de schulden van Gutmann voldoende bezittingen stonden om deze schulden te kunnen voldoen. Gutmann schreef op 4 januari 1934 daarom aan de Dresdner Bank dat zijn huis alsmede zijn aandelen ruim voldoende waren om zijn schulden te voldoen en vroeg de bank om zijn schulden op deze wijze te mogen voldoen, zoals volgens hem ook eerder was afgesproken. Desondanks besloot de bank om de schuld onverwijld op te eisen, zodat Gutmann zich genoodzaakt zag zijn kunstcollectie te laten veilen. De beslissing van de Dresdner Bank, om de vordering die voortkwam uit het Egyptisch katoenfonds direct op te eisen, kan niet los worden gezien van de kwetsbare positie waarin Gutmann zich bevond onder het naziregime en tegenover de Dresdner Bank, die onder grote invloed van dat regime stond. Verzoekers hebben er terecht op gewezen dat van de vier directieleden die door de Dresdner Bank werden aangeslagen, de enige persoon die niet van Joodse afkomst was een veel gunstigere terugbetalingsregeling kreeg van de Dresdner Bank. Deze man, Curt Lebrecht, werd aanmerkelijk gunstiger bejegend en kreeg wel uitstel van betaling. Pas in 1938 kwam het tot een regeling tussen hem en de bank. Hij hoefde uiteindelijk slechts een deel van zijn totale schuld aan de bank terug te betalen, en kreeg daar jaren de tijd voor.

31.   In zijn brief van 4 januari 1934 schreef Gutmann dat hij zijn schulden niet uit andere vermogenswaarden kon betalen. Het is duidelijk dat de inkomsten van Gutmann waren afgenomen na zijn gedwongen aftreden in 1931 als directielid van de Dresdner Bank. Na de machtsovername door de nazi’s in januari 1933 waren de mogelijkheden die Gutmann had om op reguliere wijze in inkomsten te voorzien vrijwel verdwenen. Over Gutmanns eveneens Joodse collega Erich Alexander, die eveneens een schuld aan de bank had als gevolg van het Egyptisch katoenfonds, schreef de bank in een interne notitie van juli 1933: ‘Eine neue Stellung könne er mit Rücksicht auf seine Nichtarier-Eigenschaft in Deutschland nicht finden.’ Met andere woorden, de komst van het naziregime maakte het voor Gutmann vanwege zijn Joodse afkomst onmogelijk om zijn verlies aan inkomsten te compenseren. Integendeel, door de nazi’s daalden zijn inkomsten nog verder, in ieder geval door een daling van het aantal commissariaten vanwege zijn Joodse afkomst. In Duitstalige wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp wordt 30 januari 1933 dan ook als ‘beslissend kantelpunt’ in de carrière van Herbert Gutmann aangemerkt.

32.   Op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden dient de veiling door Gutmann in 1934 van de thans geclaimde objecten  te worden beschouwd als een gedwongen verkoop conform de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001.

Redelijkheid en billijkheid
33.   De commissie dient over het voorliggende restitutieverzoek te adviseren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Hierbij is het uitgangspunt dat Gutmann het bezit van de geclaimde objecten onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Daar tegenover staat dat de Staat deze objecten op reguliere wijze heeft verworven en daardoor nu de eigenaar is.
       Bij de afweging van deze belangen komt zwaar gewicht toe aan de wijze waarop het bezit is verloren gegaan en aan de noodzaak van herstel van onrecht dat tijdens en als gevolg van het naziregime is ontstaan. Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft Gutmann de thans geclaimde objecten onvrijwillig laten veilen, onder dwang van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Op grond hiervan dient naar het oordeel van de commissie het belang van verzoekers bij teruggave zwaarder te wegen dan het belang van de Staat bij behoud van de objecten.
       Op grond van het vorenstaande ziet de commissie evenmin reden om tot een andere uitkomst dan restitutie te adviseren.

34.  De commissie stelt ten slotte de vraag aan de orde of tegenover restitutie van de geclaimde objecten een betalingsverplichting zou moeten worden gesteld in verband met een bij de veiling van de geclaimde objecten ontvangen tegenprestatie. Volgens verzoekers is met de veilingopbrengst de schuld van Gutmann, die voortvloeide uit zijn deelname aan het Egyptisch katoenfonds, voldaan. Nu het aandeel van Gutmann van deze schuld door de Dresdner Bank vier keer te hoog is berekend en dit later niet is gecorrigeerd, kan naar het oordeel van de commissie niet aangenomen worden dat Gutmann de vrije beschikking over de veilingopbrengst heeft gekregen. Op grond hiervan bestaat er geen reden om aan de teruggave van de geclaimde objecten een betalingsverplichting te verbinden.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de veertien geclaimde objecten Meissen porselein te restitueren aan de erfgenamen van Herbert Gutmann.

Aldus vastgesteld op 14 oktober 2019 door A. Hammerstein (voorzitter), S.G. Cohen‑Willner, J.H.W. Koster, J.H. van Kreveld, E.H. Swaab (plaatsvervangend voorzitter) en C.C. Wesselink en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A. Hammerstein, voorzitter)                        (E.J.A. Idema, secretaris)