Kunsthandel Koch

NK 2943 -  E.J. Ligtelijn, Landschap met boerderij aan het water

Advies inzake Koch

Dossiernummer: 
RC 1.98
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
3 juni 2013
Periode bezitsverlies: 
onbekend
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Op 17 oktober 2008 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake een verzoek van 15 augustus 2007 van AA (hierna: verzoeker) tevens namens de BB Stichting, tot teruggave van het schilderij Landschap met boerderij aan het water door E.J. Ligtelijn. Volgens verzoeker was dit in bezit van Kunsthandel Koch te Amsterdam (hierna: Kunsthandel Koch). Het kunstwerk maakt onder inventarisnummer NK 2943 deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie van de Nederlandse Staat (hierna: de NK-collectie).

De procedure

Aanleiding voor de claim was een brief van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 21 mei 2007 waarmee verzoeker op de hoogte is gesteld van de aanwezigheid van het schilderij in de NK-collectie en van de mogelijkheid een claim in te dienen.
Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister heeft de commissie verzoeker op 5 februari 2009 een brief en enige vragen toegestuurd. Hierop heeft de commissie ondanks herhaaldelijk rappelleren lange tijd geen reactie ontvangen. In februari 2011 vernam de commissie dat verzoeker in staat van faillissement was gesteld en niet langer op het aan de commissie bekende adres woonachtig was. De commissie heeft zich daarop tot de curator van verzoeker gericht. Deze meldde bij brief van 29 juli 2011 dat het faillissement zou worden opgeheven en dat de commissie zich in het vervolg direct tot verzoeker kon wenden.
Op 24 oktober 2011 heeft de commissie verzoeker opnieuw per brief enkele vragen gesteld waarop op 8 november 2011 een reactie werd ontvangen. Bij brief van 12 maart 2012 heeft de commissie verzoeker nadere vragen gesteld met betrekking tot de gerechtigdheid tot het voormalige vermogen van de kunsthandel, waarop verzoeker bij brief van 21 mei 2012 heeft gereageerd.
De commissie heeft een onderzoek ingesteld naar de feiten waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport. Dit is bij brief van 25 juli 2012 voor commentaar aan verzoeker toegestuurd waarop deze bij brief van 7 augustus 2012 heeft gereageerd. Het conceptrapport is tevens, bij brief van 25 juli 2012, voor feitelijke aanvulling aan de minister toegezonden die op 21 augustus 2012 heeft laten weten geen aanvullend materiaal te hebben. Het rapport is vastgesteld op 3 juni 2013.
Vanwege onduidelijkheid inzake de gerechtigdheid van verzoeker tot het vermogen van Kunsthandel Koch heeft de commissie verzoeker op 25 juli 2012 uitgenodigd voor een gesprek met een delegatie van de commissie. Bij dit gesprek, dat plaatsvond op 12 november 2012, heeft de commissie verzoeker gewezen op het belang voor het onderzoek van de testamenten van de voormalige eigenaar van Kunsthandel Koch, CC en zijn weduwe DD. Bij brief van 21 januari 2013 heeft de commissie in het kader van dit onderzoek een volmacht aan verzoeker toegestuurd voor het opvragen van gemelde testamenten. Verzoeker heeft hierop bij brief van 28 februari 2013 gereageerd zonder de volmacht te retourneren. De commissie heeft verzoeker bij brief van 12 maart 2013  nogmaals de gelegenheid geboden om de volmacht toe te sturen, waarop verzoeker bij brief van 29 maart 2013 heeft gereageerd, echter wederom zonder aan het verzoek van de commissie tot ondertekening van de volmacht te voldoen.

Overwegingen

  1. Verzoeker vraagt teruggave van het schilderij NK 2943 uit de Rijkscollectie, een werk dat volgens gegevens van onderzoeksbureau BHG in bezit was van Kunsthandel Koch en tijdens de bezetting van Nederland in Duitse handen is gekomen.

    Uit gegevens van het handelsregister te Amsterdam (dossier 6866) blijkt dat deze kunsthandel vanaf 1930 tot 1959 werd gedreven in een eenmanszaak door de oudoom van verzoeker CC (1887-1959). Voorts blijkt uit dat dossier van het handelsregister dat Kunsthandel Koch na het overlijden van CC, op 30 mei 1959, voortgezet werd door zijn weduwe DD. Zij was daarmee de laatste eigenaresse van de kunsthandel. Na haar overlijden, op 25 september 1963, is Kunsthandel Koch opgeheven. Verzoeker is geen bloedverwant van mevrouw DD.

  2. Verzoeker merkt zichzelf aan als rechtsopvolger van Kunsthandel Koch en als 'laatst levende erfgenaam en bloedverwant' van zijn oudoom CC. Tevens verklaart verzoeker dat hij optreedt namens de door hem in 1974 opgerichte BB Stichting, een stichting met als oogmerk (onder meer) ‘het verzekeren van het voortbestaan van de Kunsthandel Gebroeders Koch anno achttien honderd vijftig’. Verzoeker is voorzitter van deze stichting en wil het schilderij daarin onderbrengen.

  3. De commissie overweegt dat verzoeker rechten ten aanzien van een kunstwerk dat onderdeel uitmaakte van de handelsvoorraad van Kunsthandel Koch mogelijk zou kunnen ontlenen aan bepalingen in de testamenten van DD of CC. In dat kader heeft de commissie dan ook naar informatie over deze testamenten gevraagd en verzoeker voorgesteld, zoals hiervoor onder ‘De procedure’ aan de orde is gekomen, om de commissie volmacht te verlenen om de testamenten op te vragen. Verzoeker heeft deze informatie niet verstrekt noch de volmacht verleend.

  4. De thans bekende gegevens bieden onvoldoende grondslag om aan te nemen dat verzoeker behoort tot de kring van gerechtigden tot het vermogen van de door wijlen CC als eigenaar gedreven Kunsthandel Koch (en daarmee tot het betreffende schilderij). De commissie verklaart verzoeker dan ook niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het onderhavige verzoek af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 juni 2013 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                                  (E. Campfens, secretaris)