Bild mit Häusern door Wassily Kandinsky

Bild mit Häusern door Wassily Kandinsky, foto: Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Bindend advies inzake het geschil over de teruggave van het schilderij 'Bild mit Häusern', door Wassily Kandinsky, thans in het bezit van de gemeente Amsterdam

Dossiernummer: 
RC 3.141
Soort advies: 
Bindend advies
Adviesdatum: 
22 oktober 2018
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bindend advies

in het geschil tussen:

AA, te XX, XX
BB,
te XX, XX
CC
, te XX

(hierna: verzoekers),
allen vertegenwoordigd door J. Palmer van Mondex Corporation te Toronto, Canada en bijgestaan door mr. G.J.T.M. van den Bergh, advocaat te Amsterdam

en:

de Gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente),
vertegenwoordigd door mr. P.L. Loeb, advocaat te Amsterdam.

gegeven door de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog te Den Haag (de Restitutiecommissie), verder te noemen: de commissie.

1.         Het geschil

De gemeente is sinds 1940 eigenaar van het schilderij getiteld Bild mit Häusern (hierna: het werk) uit 1909 van de kunstenaar Wassily Kandinsky. Het werk wordt beheerd door het Stedelijk Museum te Amsterdam (hierna: het Museum). Verzoekers stellen dat het werk tot 1937 heeft toebehoord aan Hedwig Lewenstein-Weijermann en daarna door erfopvolging is verkregen door haar twee kinderen Robert Lewenstein en Wilhelmine Lewenstein. Zij hebben volgens verzoekers het bezit van het werk in 1940 onvrijwillig verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Verzoekers hebben de gemeente om restitutie van het werk gevraagd. De gemeente en verzoekers (hierna tezamen: partijen) hebben het geschil voorgelegd aan de Restitutiecommissie voor onderzoek en bindend advies.

2.         De procedure

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de commissie bij brief van 16 december 2013 verzocht om advies uit te brengen aan partijen in het kader van artikel 2, lid 2 van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog. De minister heeft partijen op de hoogte gesteld van haar adviesverzoek aan de commissie. De tussenkomst van de minister is ingegeven om pragmatische redenen. De Staat is op geen enkel tijdstip partij geworden in de procedure.

Verzoekers om restitutie waren in eerste instantie  AA, BB en hun moeder Shirley Winifred Ozgen-Goodman. Laatstgenoemde is overleden in 2014. De gemachtigde van verzoekers heef bij brief van 1 juni 2015 de commissie laten weten tevens CC te vertegenwoordigen. De gemeente heeft desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen het aanmerken van CC als (mede-) verzoekster.

Partijen hebben schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (vastgesteld door de commissie op 3 december 2007, laatstelijk gewijzigd op 19 september 2011, hierna: het Reglement) en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden. De commissie heeft zich overtuigd van de identiteit van partijen.

De commissie heeft kennis genomen van alle door partijen overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken aan de andere partij gestuurd. Daarnaast heeft de commissie zelfstandig nader onderzoek verricht. In het kader van dit onderzoek heeft de commissie schriftelijke vragen gesteld aan partijen en verzocht om informatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een eerste conceptonderzoeksrapport van 19 december 2014. Partijen hebben hierop gereageerd.
            Naar aanleiding van deze reacties heeft de commissie nader onderzoek laten verrichten en een tweede conceptonderzoeksrapport vastgesteld op 24 april 2017. Verzoekers hebben hierop gereageerd bij brief van 6 december 2017, de gemeente bij brief van 28 december 2017. Verzoekers hebben een nadere reactie gestuurd bij brief van 16 januari 2018.
            De commissie heeft op 14 maart 2018 schriftelijk vragen gesteld aan partijen. De gemeente heeft hierop gereageerd bij brief van 27 maart 2018. Verzoekers hebben gereageerd bij brief van 28 maart 2018. Bij brief van 12 april 2018 heeft de gemeente gereageerd op de brief van verzoekers van 28 maart 2018.
            Bij brief van 1 juni 2018 heeft de commissie nadere vragen gesteld aan verzoekers, die hierop hebben gereageerd bij brief van 5 juni 2018.
            De commissie heeft het Onderzoeksrapport en het advies vastgesteld op 22 oktober 2018.

3.         De feiten

De commissie gaat uit van de volgende feiten:

Voor de oorlog

3.1       Emanuel Albert Lewenstein (1870-1930, hierna ook: Emanuel Lewenstein) was directeur van de in Amsterdam gevestigde en door zijn vader opgerichte Naaimachinehandel Lewenstein (hierna ook: de NV Lewenstein). Hij trouwde in 1900 in gemeenschap van goederen met Hedwig Weijermann (1875-1937). Naast een jong overleden dochter kreeg het echtpaar Lewenstein-Weijermann twee kinderen, te weten Robert Gotschalk (ook wel genoemd: Bob; 1905-1974) en Wilhelmine Helena (ook wel genoemd: Willy; 1912-2007). Emanuel Lewenstein verzamelde kunst, met bijzondere aandacht voor werken van moderne meesters. Een volledig overzicht van alle tot zijn verzameling behorende kunstwerken ontbreekt, maar tot zijn verzameling behoorden in ieder geval twee schilderijen door Wassily Kandinsky, namelijk het thans geclaimde Bild mit Häusern en Das bunte Leben.
        Na het overlijden van Emanuel Lewenstein in 1930 gingen zijn vrouw Hedwig en dochter Wilhelmine wonen in een huurhuis aan het Bachplein 13h te Amsterdam. In mei 1934 trouwde Wilhelmine buiten gemeenschap van goederen met de Portugees José Augusto Rodrigues da Silva jr, waarna het echtpaar zich in de buurt van Lissabon vestigde. Robert, die zijn vader was opgevolgd als directeur van de NV Lewenstein, huwde op 11 oktober 1933 in tweede echt in gemeenschap van goederen met de Duitse Irma Edith Ruth Klein (1902-1983). Dit huwelijk zou evenals het eerdere huwelijk van Robert kinderloos blijven. Toen Hedwig een beroerte kreeg, keerden haar dochter en schoonzoon begin 1937 terug naar Amsterdam. Op 25 mei 1937 overleed Hedwig Weijermann. Robert en Wilhelmine waren haar wettelijke erfgenamen. In een testament van 1 februari 1937 van Hedwig is het volgende vermeld over haar kunstcollectie:
'dat de op haar overlijden in haar bezit zijnde schilderijen en etsen na haar overlijden door een door hare kinderen in onderling overleg aan te wijzen deskundige in twee, zooveel mogelijk gelijkwaardige, kavelingen moeten worden verdeeld, waarna door loting zal moeten worden uitgemaakt welke kavelingen aan ieder harer kinderen zal worden toegewezen’.

Er zijn geen aanwijzingen dat bedoelde loting en verdeling daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Op 24 januari 1938 is de akte van scheiding van de nalatenschap van Hedwig verleden voor notaris mr. Samuel Teixeira de Mattos. Twee dagen later emigreerden Wilhelmine Lewenstein en haar echtgenoot naar Mozambique.
           
3.2       Robert Lewenstein betrok twee maanden na het overlijden van zijn moeder Hedwig met Irma Klein het huis aan het Bachplein 13h. Korte tijd later voegde Irma's moeder, Meta Hayn, zich bij hen. Het huwelijk tussen Robert en Irma zou geen stand houden, Robert kreeg een relatie met de Amerikaanse Shirley Goodman (1913-2014). Omstreeks half augustus 1938 verliet Robert zijn echtgenote Irma Klein. Op 13 december 1938 verzocht mr. Isaac Coopman namens Irma Klein bij de rechtbank te Amsterdam om toestemming voor het instellen van een eis tot scheiding van tafel en bed tegen Robert Lewenstein. Er zouden diverse procedures volgen. De scheiding van tafel en bed werd uitgesproken door de rechtbank op 27 juni 1940, de uiteindelijke echtscheiding op 20 maart 1944. Pas na de oorlog, op 10 juni 1947, is een notariële akte van boedelscheiding opgesteld.
            Op 6 april 1939 verzocht en verkreeg Robert Lewenstein zijn ontslag als directeur van de NV Lewenstein. Hij bleef wel een jaarlijkse uitkering van NLG 3500 ontvangen. Robert benoemde de joodse Benjamin Levi, die ook tot directeur van de NV Lewenstein was benoemd, als beheerder over zijn privévermogen en stelde mr. Alfred Levy, eveneens van joodse afkomst, aan als zijn advocaat en procureur. Hierna vertrok hij in april 1939 met Shirley Goodman naar Zuid-Frankrijk. Irma Klein bleef met haar moeder wonen aan het Bachplein 13h. De op naam van Robert Lewenstein gestelde huurovereenkomst liep tot 1 mei 1940. Op 15 mei 1940 werden Irma Klein en haar moeder ingeschreven op het adres Beethovenstraat 9a¹. Er zijn aanwijzingen dat Irma een deel van haar huisraad toen heeft opgeslagen.

3.3       Zoals hiervoor al vermeld ging de echtscheiding tussen Robert Lewenstein en Irma Klein gepaard met diverse procedures bij de rechtbank. Een deel van deze procedures werd gevoerd terwijl Robert in het buitenland verbleef. Deze procedures hadden voornamelijk betrekking op de hoogte van de door Robert aan Irma verschuldigde alimentatie. De met betrekking tot deze procedures aangetroffen documentatie geeft een inzicht in de financiële situatie van Robert en Irma voor en tijdens de oorlog. Op de inhoud van deze documentatie wordt in hierna volgende overwegingen zo nodig teruggekomen.

Oorlog

3.4       Robert Lewenstein was joods. Op het moment van de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 bevond hij zich met Shirley Goodman in Zuid-Frankrijk. Nadat in Frankrijk het Vichy-regime was geïnstalleerd, vluchtten Robert en Shirley Goodman in juni 1940 via Spanje naar de Verenigde Staten, waar zij gingen wonen in New York. Ze leefden gedurende de oorlog onder moeilijke omstandigheden, omdat de NV Lewenstein Robert zijn jaarlijkse uitkeringen niet meer kon betalen en Robert niet mocht werken.

3.5       Irma Klein was joods, net zoals haar twee broers, Günther en Hans Klein, en haar moeder. Irma bevond zich ten tijde van de Duitse inval nog steeds in Amsterdam met haar moeder. Ook haar broers woonden in Amsterdam. Hans Klein was in maart 1933 vanuit Duitsland naar Nederland uitgeweken, nadat hij op politieke gronden was ontslagen als redacteur van een Berlijnse krant. Na zijn vertrek uit Duitsland werd hij stateloos. Hans Klein dook direct na de Duitse inval in mei 1940 onder, omdat hij bij de vreemdelingenpolitie stond geregistreerd als vluchteling uit Duitsland en als redacteur van een democratisch gezinde krant. Hans Klein wist in september 1942 te vluchten naar Zwitserland. Ook Günther Klein kreeg te maken met de anti-Joodse maatregelen. Over zijn confectiebedrijf werd in 1941 een Duitse beheerder aangesteld. Günther Klein wist in 1942 te vluchten naar Zwitserland. Zijn vrouw Eva Schuit werd op de vlucht gearresteerd en in november 1942 in Auschwitz vermoord. Hun twee kinderen overleefden de oorlog in België.
            Irma Klein verbleef gedurende de hele bezetting in Amsterdam. In een verklaring opgenomen in een rapport van een zenuwarts uit 1982 wordt vermeld dat Irma Klein zichzelf aanvankelijk als niet zó kwetsbaar [beschouwde], omdat zij geen typische Jodennaam had, niet een z.g. eerstegraads Jodin was en voor het overige een heel beroemde grote toneelspeelster was. Nadien kwam het toch wel tot moeilijkheden'. Uit naoorlogse documenten komt naar voren dat zij vanaf 1942 een Jodenster droeg. Een verzoek in 1942 om haar registratie als afstammeling van vier joodse grootouders te wijzigen omdat zij half-arisch zou zijn, werd afgewezen. Irma Klein werd diverse keren opgepakt en vastgehouden door de Duitsers. Bij een poging te ontkomen aan de Gestapo in 1942 is zij uit een raam gesprongen, met een hersenschudding en geheugenverlies tot gevolg. Irma Klein wist aan deportatie te ontkomen, volgens eigen verklaring omdat zij was vrijgesteld van deportatie.
            Volgens voormeld rapport uit 1982 bleef Irma Klein gedurende de bezetting wonen in het huis aan de Beethovenstraat 9a¹. De moeder van Irma Klein stond vanaf 7 juni 1941 geregistreerd aan de Apollolaan 123h. Op 19 januari 1942 overleed ze in Amsterdam, volgens een naoorlogse verklaring van Irma Klein aan een hartaanval.

Veiling bij Frederik Muller

3.6       Zoals hiervoor vermeld bezat Emanuel Lewenstein een omvangrijke kunstcollectie, waaronder het thans geclaimde werk van Kandinsky. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het werk in 1923 verworven voor NLG 500. Op de vraag van wie het werk in bezit is gekomen na het overlijden van Hedwig Lewenstein en wat er daarna met het werk is gebeurd, zal de commissie ingaan in overweging 6.3
            Vaststaat dat het werk is aangeboden op een op 8 en 9 oktober 1940 gehouden veiling bij veilinghuis Frederik Muller te Amsterdam. Deze veiling betrof volgens de bijbehorende catalogus een veiling van ‘MODERNE SCHILDERIJEN AQUARELLEN, TEEKENINGEN, ETC. AFKOMSTIG VAN DE COLLECTIE VAN WIJLEN J. GOUDSTIKKER, AMSTERDAM’ en van ‘DIVERSE VERZAMELINGEN EN NALATENSCHAPPEN’. Het eerste gedeelte van de veiling, betreffende de collectie Goudstikker, vond volgens de veilingcatalogus plaats op 8 oktober 1940 en besloeg de lotnummers 1-150. Het tweede gedeelte, betreffende diverse verzamelingen en nalatenschappen, volgde op 9 oktober 1940 en besloeg de lotnummers 151‑277. Van een gedeelte van de werken uit ‘DIVERSE VERZAMELINGEN EN NALATENSCHAPPEN’ is de herkomst in de catalogus niet nader omschreven. Boven de lotnummers 195-277 staat wel een nadere aanduiding, te weten ‘MODERNE EN OUDE SCHILDERIJEN REMBRANDT ETSEN, TEEKENINGEN, PRENTEN, BOEKEN, ENZ. NALATENSCHAP, L………, AMSTERDAM’. In een geannoteerd exemplaar van de catalogus van het Rijksmuseum te Amsterdam is de aanduiding ‘NALATENSCHAP, L………’ in handschrift aangevuld, in ‘NALATENSCHAP, Leuwenstein’.
            In de veilingcatalogus wordt het thans geclaimde werk van Kandinsky vermeld als ‘O. Kandinsky / […] / 205 / Compositie. / Geteekend en gedateerd 1909. / Doek. - Hoog 97, breed 132 cent.’. Hierachter is in handschrift genoteerd: ‘160 / Röell’. Jhr. D.C. Röell was de toenmalige directeur van het Museum.
            Uit door het Museum overgelegde documentatie kan worden afgeleid dat het thans geclaimde werk op voormelde veiling is aangekocht voor NLG 160. Inclusief 10% opgeld bedroegen de verwervingskosten voor het Museum NLG 176. In een brief van 2 november 1940 van de Commissie voor de Aanwinsten van het Stedelijk Museum voor de Afdeeling Financiën van de Gemeente Amsterdam wordt vermeld dat deze commissie heeft besloten tot ‘aankoop van een schilderij “Landschap met huizen” door W. Kandinsky, voor een bedrag van f. 176.-, op de veiling van Frederik Muller. d.d. 9 October 1940’.
            Het werk bevindt zich sinds 1940 in het Museum.

3.7       Naast het thans geclaimde werk werden op de veiling bij Frederik Muller diverse andere kunstwerken aangeboden afkomstig uit de ‘‘NALATENSCHAP, L………’ Eén daarvan betrof een ander schilderij van Kandinsky, namelijk Das bunte Leben. Dit schilderij was in 1933 door de familie Lewenstein in bruikleen gegeven aan het Museum maar is op de veiling niet aangekocht door het Museum.
            Bij het onderzoek is een aantal documenten aangetroffen met betrekking tot dit schilderij. Zo is een door Röell ondertekend document aangetroffen van 8 december 1938. Hierin wordt vermeld dat hij Das bunte Leben in bewaring had genomen van ‘mevr. Leeuwenstein, Bachplein 13, Amsterdam’. Onder het typoscript van dit document is in handschrift onder meer het volgende aangetekend: ‘afgegeven. Querido’s Kunsthandel / Waalstr 104. / 5-9-40. […]’. Op een aangetroffen visitekaartje van Querido’s Kunsthandel is op de achterzijde in handschrift geschreven: 5/9 ’40 / Gelieve brenger mede te geven / 1 Schilderij. / “Das Bunte Leben” / v. Kandinsky / Hoogachtend / A.M. Querido’.

Na de oorlog

3.8       Wilhelmine Lewenstein, Robert Lewenstein en Irma Klein overleefden de oorlog. Wilhelmine was in december 1940 gescheiden van haar echtgenoot Da Silva maar bleef in Mozambique wonen en werken. Tegen het einde van de oorlog vertrok Wilhelmine Lewenstein vanuit Mozambique naar Portugal, waar zij in 1946 trouwde met Eric Castillo Serra, een officier in het Portugese leger die ze in Mozambique had leren kennen. Wilhelmine is kinderloos gebleven en overleed op 18 oktober 2007 in Portugal.

3.9       Het huwelijk tussen Robert Lewenstein en Irma Klein werd tijdens de oorlog ontbonden door het echtscheidingsvonnis van de rechtbank van 20 maart 1944. Na de oorlog zouden nog enkele procedures volgen in verband met de afwikkeling van de echtscheiding en de verdeling van de goederengemeenschap. Deze verdeling zou uiteindelijk worden vastgelegd bij notariële akte van 10 juni 1947.
            Robert Lewenstein was in de tussentijd op 20 augustus 1945 in New York in derde echt getrouwd met Shirley Goodman. Het echtpaar vestigde zich begin 1946 in Nederland maar vertrok in 1950 weer naar de Verenigde Staten. Het echtpaar Lewenstein-Goodman kreeg twee kinderen, AA en BB (verzoekers). Robert Lewenstein overleed op 26 januari 1974, Shirley Goodman in 2014.

3.10     Irma Klein bleef na de oorlog wonen op de Beethovenstraat 9a¹ in Amsterdam. Zij zou na haar scheiding van Robert Lewenstein niet meer trouwen. Uit aangetroffen documenten is verder bekend dat zij gedurende een lange periode onder curatele heeft gestaan. Volgens een verklaring van verzoekster CC ontfermde Irma Klein zich na de oorlog over een overlever van de jodenvervolging die als wees naar Nederland was teruggekeerd, Gijsbert (Bob) Stoker. Verzoekster CC was de partner van deze Bob Stoker, die zij een pleegkind van Irma Klein noemt. Volgens CC zorgden zij samen voor Irma Klein toen haar gezondheid achteruitging. Irma Klein overleed in 1983 in Amsterdam.

3.11     Na de oorlog hebben Robert en Wilhelmine Lewenstein rechtsherstelprocedures gevoerd. Zo werden zij op 4 oktober 1947 door een beslissing van de Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling Effectenregistratie hersteld in de eigendom van de aandelen in de NV Lewenstein. Irma Klein heeft in de jaren ‘50 de Duitse autoriteiten verzocht om schadevergoeding voor 'Schadens an Freiheit' en 'Schadens am Körper und Gesundheit'. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de families Lewenstein of Klein na de oorlog via de Nederlandse of Duitse recuperatie- en rechtsherstelautoriteiten getracht hebben om eventuele geconfisqueerde of onvrijwillig verkochte kunst uit de collectie Lewenstein terug te krijgen.          
Wel is bekend dat Irma Klein na de oorlog nog contact heeft gehad met het Museum. In 1954 heeft Irma Klein verschillende kunstwerken van de kunstenaar Nanninga aan het Museum in bruikleen gegeven voor een tentoonstelling. Volgens een handgeschreven lijst in het archief van het Museum wenste Irma Klein verschillende van de tentoongestelde werken te verkopen, maar had het Museum het voornemen om haar te berichten ‘dat we momenteel niet kopen’. Op 17 juni 1954 tekende ‘Irma Klein-Lewenstein’ voor de terugontvangst van drie uitgeleende schilderijen. Ook de tante van Robert en Wilhelmine Lewenstein, Betty Lewenstein, heeft werk van de kunstenaar Nanninga in bruikleen gegeven voor de desbetreffende expositie van het Museum.
           
3.12     Deze Betty Lewenstein komt ook voor in aangetroffen documentatie over het andere schilderij van Kandinsky uit de collectie Lewenstein, Das bunte Leben. In een brief van 22 maart 1947 informeerde de kunstenaar César Domela bij toenmalig museumdirecteur Willem Sandberg naar het adres van onder meer 'Lewenstein-Weijerman'. Hierop antwoordde Sandberg op 1 mei 1947: '"Das bunte Leben", wat vroeger van Lewenstein-Wegeman was, is nu in bezit van S.B.S. Slijper, Dorpstraat 14, Blaricum'.
            Een jaar later schreef voornoemde Betty Lewenstein in een brief van 31 mei 1948 het volgende aan Sandberg:
‘Uit naam van mijn in Portugal wonende nicht, Mevr. W. de Castilho Serra-Lewenstein, kom ik u het volgende vragen. Er is n.m. een Kandinsky door wijlen mijn broer, de heer E.A. Lewenstein aan Uw museum in bruikleen afgestaan. Dit schilderij behoort nu de erven Lewenstein en bovengenoemde nicht is een van de 2 erven. / De lezing, die haar gegeven werd over hetgeen er met dit schilderij gebeurd is, schijnt haar geheel onaannemelijk toe. / Daarom zoudt U haar ten zeerste verplichten, mij hieromtrent even te willen inlichten.’

Onderaan de brief van Betty Lewenstein is in handschrift het volgende aangetekend: 'bewaring / terug aan Kunsthandel Querido / Waalstraat 104 / 5-9-40 / "Das bunte Leben"/ op order van Mevr. Lewenstein-Weijerm[an]n / Bachplein 13'. Op 2 juni 1948 stuurde Hans Jaffé, de waarnemend museumdirecteur, Betty Lewenstein de volgende antwoordbrief:
‘Naar aanleiding van Uw schrijven van 31 Mei betreffende het schilderij van Kandinsky "Das bunte Leben", dat wij voor de oorlog enige jaren in bewaring hadden, deel ik U mede, dat dit werk op verzoek van de eigenaresse, Mevrouw Lewenstein-Weyermann, op 5 September 1940 door ons werd afgeleverd aan de kunsthandel Querido, Waalstraat 104 te Amsterdam
.

3.13     Het Museum heeft onderzoek gedaan naar de herkomst van kunstwerken uit de collectie in het kader van het landelijke onderzoeksproject Museale Verwervingen 1940-1948 (1998-1999). In de publicatie hierover wordt het volgende meegedeeld over het thans geclaimde werk: 
Een punt van aandacht vormt de aankoop van een schilderij van Kandinsky op een veiling bij de firma Frederik Muller & Co. in oktober 1940. Dit schilderij maakte voor de oorlog waarschijnlijk deel uit van de collectie van een Joodse verzamelaar. Het is onbekend wie opdracht heeft gegeven tot de verkoop van het schilderij.’

Omstreeks het verschijnen van deze publicatie in 1999 hebben Wilhelmine Lewenstein en haar toenmalige zaakwaarnemer Karel Citroen het Museum bezocht.
            In 2013 zijn de resultaten van het landelijke vervolgproject Museale Verwervingen vanaf 1933 gepubliceerd op de website www.musealeverwervingen.nl. Op deze website stelt het Museum dat het thans geclaimde werk een mogelijk problematische herkomstgeschiedenis heeft. Als conclusie vermeldt het Museum: ‘Het schilderij is in 1940 geveild bij Frederik Muller in Amsterdam uit de nalatenschap van een joodse verzamelaar’. Dit wordt als volgt toegelicht:
'Het schilderij is op 9 oktober 1940 door het Stedelijk Museum gekocht op de veiling van Frederik Muller & Co. in Amsterdam.
[…] Dit lotnummer was afkomstig uit ‘Nalatenschap L., Amsterdam’. / De joodse eigenaresse had het schilderij in 1930 geërfd van haar echtgenoot, die het schilderij in 1923 had gekocht van Paul Citroen die het in commissie had gegeven aan kunsthandel J.H. de Bois, Amsterdam. […].’

4.         De standpunten van partijen

4.1       Verzoekers stellen dat het werk samen met de rest van de door Emanuel Lewenstein verzamelde kunstcollectie toebehoorde aan Hedwig Lewenstein tot haar overlijden op 25 mei 1937. Volgens verzoekers kan niet met zekerheid worden vastgesteld of en hoe het werk na het overlijden van Hedwig is verdeeld tussen haar twee erfgenamen, haar kinderen Wilhelmine en Robert. Evenmin kan volgens verzoekers, voor zover het werk zou zijn toebedeeld aan Robert, worden vastgesteld of en hoe het werk is verdeeld tussen Robert en Irma na de door de rechtbank op 27 juni 1940 uitgesproken scheiding van tafel en bed. Volgens verzoekers zijn er geen aanwijzingen dat Wilhelmine, Robert of Irma hebben meegewerkt aan de veiling van het werk bij Frederik Muller of dat zij hebben kunnen beschikken over de opbrengst van deze veiling, zodat er vanuit moet worden gegaan dat zij het bezit van het werk onvrijwillig hebben verloren door omstandigheden die een direct gevolg waren van het naziregime. Omdat niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld wie van voormeld drietal ten tijde van het bezitsverlies van het werk de eigenaar was, zijn verzoekers onderling overeengekomen dat zij allen meedelen in de uitkomst van voorliggend restitutieverzoek. Verzoekers zijn daarbij overeengekomen dat AA en BB ieder voor 37,5% meedelen in de uitkomst en CC voor 25% meedeelt.
            Verzoekers stellen dat het Museum bij de verwerving van het werk op de veiling bij Frederik Muller op 9 oktober 1940 niet te goeder trouw was. Zij stellen dat Sandberg en Röell ten tijde van de verwerving op de hoogte van de herkomst van het werk moeten zijn geweest en dat er genoeg reden voor hen was om te veronderstellen dat de op de veiling aangeboden kunstwerken uit de collectie Lewenstein geroofd waren of onder dwang werden verkocht. Nu het Museum desondanks het werk voor een gering bedrag heeft aangekocht op deze veiling, handelde het te kwader trouw, aldus verzoekers. Ook in de periode na de verwerving heeft het Museum volgens verzoekers ten onrechte nagelaten opheldering te geven over de omstandigheden waaronder het werk is verworven. De brief van Betty Lewenstein uit 1948 en het bezoek van Wilhelmine Lewenstein aan het Museum in 1999 hadden hiertoe voor het Museum aanleiding moeten geven.
            Wat betreft het door de gemeente gestelde belang van het werk merken verzoekers op dat het werk volgens eigen publicaties van het Museum niet onder de hoogtepunten uit de collectie wordt geschaard. Ook wordt op de website van het Musuem relatief weinig aandacht besteed aan het werk, aldus verzoekers.

4.2       Volgens de gemeente lijkt het aannemelijk dat het werk na het overlijden van Hedwig Lewenstein is toebedeeld aan Robert Lewenstein. Er zijn volgens de gemeente geen aanwijzingen dat het werk tijdens het naziregime is geroofd, geconfisqueerd of onder dwang is verkocht. Het enkele feit dat het werk op 9 oktober 1940 is geveild, is volgens de gemeente onvoldoende om aan te nemen dat daarmee sprake was van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van het naziregime. De gegevens die wel bekend zijn, duiden volgens de gemeente op een vrijwillige verkoop van het werk door Irma Klein, al dan niet met medewerking van Robert. Deze verkoop was waarschijnlijk het gevolg van de precaire financiële situatie waarin Robert Lewenstein en Irma Klein zich op dat moment bevonden en die mede het gevolg was van hun huwelijksperikelen en het ontslag van Robert Lewenstein als directeur van de NV Lewenstein in 1939. In dit verband wijst de gemeente erop dat de advocaat van Robert Lewenstein tijdens de echtscheidingsprocedure voor de oorlog al aandrong op verkoop van de kunstcollectie van de familie. De gemeente wijst er verder op dat niet gebleken is dat na de oorlog pogingen zijn gedaan om het thans geclaimde werk via de Nederlandse rechtsherstel- en recuperatieauoriteiten terug te krijgen en dat Irma Klein na de oorlog schilderijen aan het Museum in bruikleen heeft gegeven. Dit duidt er volgens de gemeente niet op dat Irma Klein en Robert Lewenstein zelf de mening waren toegedaan dat het bezit van het werk onvrijwillig verloren is gegaan.
          De gemeente betwist de stelling van verzoekers dat het Museum bij de verwerving en in de periode hierna niet te goeder trouw zou hebben gehandeld. Volgens de gemeente zijn er immers geen aanwijzingen dat het werk is geroofd, confisqueerd of onder dwang is verkocht en is het niet waarschijnlijk dat nader onderzoek van de gemeente destijds zou hebben geleid of hebben kunnen of moeten leiden tot het niet uitbrengen van een bieding op de bewuste veiling.
           De gemeente voert aan dat het geclaimde werk een belangrijk werk is voor het Museum. Het werk wordt permanent tentoongesteld en vormt volgens de gemeente de essentiële schakel in het beperkte overzicht van het werk van Kandinsky binnen de collectie van het Museum, tussen het nog impressionistische schilderij Kochel-Brücke uit 1904 en het bijna abstracte doek Improvisation 33 (Orient I) uit 1913 en het laat-abstracte schilderij Deux entourages uit 1934.

5.         De taak van de commissie

5.1       Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak op verzoek van partijen advies uit te brengen over geschillen tot teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. Dit advies is een bindend advies in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek.

5.2       De commissie adviseert naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit houdt allereerst in dat wordt beoordeeld of voldaan is aan de vereisten dat het in hoge mate aannemelijk is dat de gestelde oorspronkelijke eigenaar inderdaad de eigenaar was en dat in voldoende mate aannemelijk is dat hij of zij het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarnaast biedt advisering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ruimte om rekening te houden met de wijze van verwerving door de huidige eigenaar en andere omstandigheden en om de diverse betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

5.3       Bij haar advisering ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit, kan de commissie conform artikel 3 van het Reglement in ieder geval in haar overwegingen betrekken de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan, de mate waarin de partij die om teruggave verzoekt zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, alsmede het tijdstip en de omstandigheden van de verwerving van het bezit door de huidige bezitter en het door hem verrichte onderzoek voor de verwerving. Daarnaast kan het onderscheidenlijke belang van het werk voor de beide partijen en van het openbaar kunstbezit in de overweging worden betrokken. De internationaal en nationaal aanvaarde beginselen, zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst, worden in de overwegingen betrokken voor zover zij naar de opvatting van de commissie in het concrete geval van overeenkomstige toepassing zijn.
           Dit ruime afwegingskader doet ook recht aan de Washington Principles, volgens welke beginselen het restitutiebeleid gericht moet zijn op het bereiken van ‘a just and fair solution, recognizing this may vary according to the facts and circumstances surrounding a specific case.

6.         Beoordeling van het geschil

6.1       De commissie zal allereerst nagaan of reden bestaat een partij niet ontvankelijk te verklaren op grond van één van de in artikel vier van het op deze zaak toepasselijke Reglement genoemde redenen. De commissie heeft zich ervan vergewist dat het geschil tussen verzoekers en de gemeente niet reeds definitief is afgehandeld. Zo is de commissie niet gebleken van een gerechtelijke procedure of van een rechterlijke uitspraak inzake het werk. Evenmin is gebleken dat verzoekers eerder uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van hun rechten op het werk. In zoverre zijn verzoekers ontvankelijk in hun verzoek.

6.2       In de tweede plaats zal de commissie, alvorens zij toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, nagaan of verzoekers gerechtigd zijn tot de nalatenschappen van de door hen gestelde oorspronkelijk eigenaren van het thans geclaimde werk.
            Verzoekers stellen dat het werk toebehoorde aan Robert Lewenstein, die ten tijde van de verkrijging gehuwd was in gemeenschap van goederen met Irma Klein, en Wilhelmine Lewenstein. Verzoekers AA en BB hebben gesteld erfgenamen te zijn van zowel Robert Lewenstein als van Wilhelmine Lewenstein. Naar het oordeel van de commissie hebben verzoekers AA en BB hun gerechtigdheid tot de nalatenschap van Robert Lewenstein aangetoond met de door hen overgelegde legal opinion van 11 februari 2016 opgesteld doorDD. Hun gerechtigheid tot de nalatenschap van Wilhelmine Lewenstein, althans voor zover deze het thans geclaimde werk betreft, hebben verzoekers AA en BB aangetoond met de door hen overlegde legal opinion van 20 maart 2018, opgesteld door advocatenkantoor Vieira de Almeida & Associados te Lissabon, Portugal.
            Verzoekster CC heeft gesteld gerechtigd te zijn tot de nalatenschap van Irma Klein. Dit heeft zij naar het oordeel van de commissie aangetoond met de door haar overgelegde ‘Verklaring’ van EE, notaris te Amsterdam, van 7 mei 2015.

Eigendom

6.3       Zoals volgt uit 5.2 houdt een beoordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid allereerst in dat wordt beoordeeld of voldaan is aan de vereisten dat het in hoge mate aannemelijk is dat de gestelde oorspronkelijke eigenaar inderdaad de eigenaar was en dat in voldoende mate aannemelijk is dat hij of zij het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Hieruit volgt dat de commissie eerst in zal gaan op de vraag aan wie het geclaimde werk ten tijde van de veiling op 9 oktober 1940 toebehoorde. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de commissie gaat hier op grond van het Onderzoeksrapport vanuit, dat het werk tot haar overlijden op 25 mei 1937 toebehoorde aan Hedwig Lewenstein-Weijermann.

6.3.1.    Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag aan wie het werk na haar overlijden is toebedeeld. Volgens de gemeente lijkt het aannemelijk dat het werk aan Robert Lewenstein is toebedeeld, waardoor het werk in de gemeenschap van goederen van Robert Lewenstein en Irma Klein terecht is gekomen en zij over het werk de feitelijke beschikking hebben gekregen. Volgens verzoekers kan niet met zekerheid worden vastgesteld aan wie het werk is toebedeeld. Verzoekers hebben een op hun verzoek opgesteld advies van 21 november 2017 van advocaat FF overgelegd. Daarin wordt als mogelijkheid genoemd dat het werk is toebedeeld aan Robert Lewenstein. Een andere mogelijkheid die FF noemt is dat het werk met de rest van de kunstcollectie om fiscale redenen buiten de scheidings- en verdelingsakte van 24 januari 1938 is gebleven. In hun reactie op het Conceptonderzoekrapport wijzen verzoekers erop dat de akte van 24 januari 1938 geen specifieke bepalingen over de door Hedwig Lewenstein nagelaten kunstcollectie bevat, zodat ook andere bewijsstukken bestudeerd dienen te worden. In dit verband verwijzen zij naar de brief van Betty Lewenstein van 31 mei 1948 aan het Museum waarin zij over Das bunte Leben schrijft dat dit werk toebehoort aan de erven Lewenstein en dat Wilhelmine een van de twee erven is. Volgens verzoekers duidt dit erop dat de wens van Hedwig Lewenstein om haar kunstcollectie aan haar beide kinderen na te laten is gerespecteerd. Het feit dat Wilhelmine Lewenstein twee dagen na het ondertekenen van de akte van 24 januari 1938 naar Mozambique is vertrokken, is volgens verzoekers een aanwijzing dat de in het testament opgenomen lotingsregeling nooit ten uitvoer is gebracht.
            Volgens verzoekers had het op de weg van het Museum gelegen om onduidelijkheden over de eigendom van het werk voor de verwerving door het Museum in 1940 op te helderen. Hiertoe zou voor het Museum de brief van Betty Lewenstein uit 1948 aanleiding hebben moeten geven, alsmede het bezoek van Wilhelmine Lewenstein aan het Museum in 1999.
            Volgens verzoekers was het geclaimde werk ten tijde van de veiling eigendom van Wilhelmine Lewenstein, Robert Lewenstein en Irma Klein. Verzoekers zijn onderling overeengekomen de opbrengst van hun thans voorliggende restitutieverzoek volgens een verdeelsleutel te verdelen, ongeacht het oordeel van de commissie ten aanzien van de vraag aan wie het werk ten tijde van de veiling toebehoorde.

6.3.2.   De commissie overweegt als volgt. Het testament van Hedwig Lewenstein van 1 februari 1937 bevatte een regeling ten aanzien van schilderijen en etsen, te weten een verdeling in twee kavels, die op basis van loting toegewezen moesten worden aan haar beide kinderen. Het is onbekend of deze regeling ten uitvoer is gebracht. In de akte van 24 januari 1938 worden geen kunstwerken expliciet genoemd. Wel wordt gesproken over ‘nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’, nader uitgewerkt als ‘inboedelgoederen, sieraden en verdere roerende lichamelijke zaken’. Ten aanzien van ‘nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’ wordt vermeld dat deze zijn getaxeerd door de makelaar N. Jacobson te Amsterdam. Bij het onderzoek is echter geen taxatierapport aangetroffen.
            De ‘nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’ zijn in de akte toebedeeld aan Robert Lewenstein. Er zijn geen aanwijzingen dat kunstwerken, waaronder het thans geclaimde werk, van deze toebedeling zijn uitgezonderd. In dit verband kan erop worden gewezen dat de partijen bij de akte in diezelfde akte hebben verklaard dat het te verdelen gedeelte van de boedel uit niets anders bestond dan de bezittingen zoals opgenomen in de akte. Ook wordt in de akte uitdrukkelijk verklaard dat 1/5 onverdeeld aandeel in onroerende zaken te Amsterdam buiten de verdeling blijft. Een dergelijke bepaling ten aanzien van kunstwerken ontbreekt.
            Daarbij komt dat in diverse gerechtelijke documenten, zoals hierna genoemd in 6.3.3., melding wordt gemaakt van de kostbare inventaris, waaronder kunstwerken, die zich na het vertrek van Robert in augustus 1938 nog steeds in het huis aan het Bachplein 13h bevond. In geen van deze documenten wordt gemeld dat Wilhelmine ten aanzien van deze bezittingen nog rechten zou bebben.
            Dat de ‘nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’ zijn toebedeeld aan Robert Lewenstein, is naar opvatting van de commissie goed verklaarbaar door het feit dat Wilhelmine een schuld had aan haar moeder van NLG 16.250, zoals blijkt uit de akte van 24 januari 1938. Uit diezelfde akte blijkt dat Robert een schuld had aan zijn moeder van NLG 2.000. In de akte wordt de waarde van ‘de nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’ door partijen bij de akte gesteld op NLG 14.250, onder verwijzing naar ‘het feit dat al deze nog aanwezige zaken aan den deelgenoot genoemden heer Robert Gottschalk Lewenstein worden toegedeeld waardoor deze alleen van een eventueele waardestijging zou genieten’. Op deze manier konden de zich in de boedel bevindende vorderingen op Robert en Wilhelmine en de ‘nog aanwezige roerende lichamelijke zaken’ met gesloten beurs worden verdeeld. Deze gang van zaken wordt ook aldus beschreven in een door een familielid vanaf 2003 opgetekende biografie van Wilhelmine Lewenstein (Bewegte Zeit - Bewegtes Leben. Das ungewöhnliche Leben der Wilhelmine de Castillio Serra), waarin over de verdeling van de erfenis onder meer wordt vermeld dat ‘der Haushalt mit seinem wertvollen Inventar’ werd verrekend met de schuld van Wilhelmine aan haar moeder.
            Ook om een andere reden is verklaarbaar dat de 'nog aanwezige roerende lichamelijke zaken' zijn toebedeeld aan Robert Lewenstein, namelijk door het feit dat Wilhelmine op het punt stond met haar echtgenoot te emigreren naar Mozambique.
            Minder goed verklaarbaar is de door verzoekers genoemde brief van Betty Lewenstein aan het Museum van 31 mei 1948, waarin zij schrijft dat Das bunte Leben toebehoorde aan de erven Lewenstein, te weten Robert Lewenstein en Wilhelmine Lewenstein. Deze brief heeft echter geen betrekking op het thans geclaimde werk maar op Das bunte Leben, waarvan bekend is dat het zich voor de oorlog in bruikleen bevond bij het Museum. Daarnaast is deze enkele aanwijzing die zou kunnen duiden op het onverdeeld gebleven zijn van de kunstcollectie van Hedwig Lewenstein, onvoldoende om de, naar het oordeel van de commissie sterkere, aanwijzingen die er op duiden dat het thans geclaimde werk is toebedeeld aan Robert Lewenstein aan de kant te schuiven.
Op grond van het bovenstaande dient er naar het oordeel van de commissie vanuit te worden gegaan dat het werk na het overlijden van Hedwig Lewenstein is toebedeeld aan Robert Lewenstein. De commissie heeft kennis genomen van de door verzoekers onderling gesloten overeenkomst. Deze overeenkomst kan echter niet afdoen aan de taak van de commissie, namelijk het beantwoorden van de vraag aan wie het werk toebehoorde ten tijde van het bezitsverlies en, in het verlengde daarvan, de vraag wie het werk anno 2018 kan claimen. De beantwoording van deze vraag is niet alleen noodzakelijk om te kunnen vaststellen wie de rechthebbende partij is, maar ook voor de beoordeling van het bezitsverlies en uiteindelijk de afweging van de betrokken belangen.

6.3.3.  Robert Lewenstein was ten tijde van de verkrijging van het werk gehuwd met Irma Klein in wettelijke gemeenschap van goederen. Er zijn geen aanwijzingen dat het werk buiten de gemeenschap van goederen is gebleven. In de hierna volgende overwegingen wordt ingegaan op wat de (meest) waarschijnlijke gang van zaken is geweest met het thans geclaimde werk tussen de toebedeling aan Robert Lewenstein en de veiling van het werk bij Frederik Muller op 9 oktober 1940.
           Na het overlijden van Hedwig Lewenstein zijn Robert Lewenstein en Irma Klein ingetrokken op haar oude adres, Bachplein 13h te Amsterdam. In augustus 1938 vertrok Robert Lewenstein. In diverse gerechtelijke documenten die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen wordt melding gemaakt van de kostbare inventaris die zich nog steeds in het huis aan het Bachplein 13h bevond. Zo schreef mr. Coopman op 4 mei 1939 dat Robert Lewenstein Irma Klein had achtergelaten ‘in het groote huis (vol kostbare familie-inventaris)’. De advocaat van Robert Lewenstein, mr. Levy, schreef op 11 mei 1939 over ‘bedoeld heerenhuis met kostbaren inboedel (schilderijen, antiquiteiten en andere kostbaarheden)’ en op 2 november 1939 over ‘den kostbaren inventaris, herkomstig van gedaagdes ouders uit lang vervlogen financieel-goede tijden’ waarover Irma Klein de feitelijke macht had. Op 2 januari 1940 schreef mr. Coopman dat Irma Klein het immoreel vindt ‘als zij de kostbare familie-eigendommen, antiek en schilderijen thans zou verkoopen’. Op grond van deze vermeldingen kan naar het oordeel van de commissie worden aangenomen dat de aan Robert Lewenstein toebedeelde kunstcollectie na het overlijden van Hedwig Lewenstein op het adres Bachplein 13h is achtergebleven, en dat Irma Klein, na het vertrek van Robert Lewenstein hierover de feitelijke macht had.
           De huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan het Bachplein 13h, die nog op naam stond van Robert Lewenstein, liep tot 1 mei 1940. Vijf dagen na de Duitse inval, op 15 mei 1940, werden Irma Klein en haar moeder ingeschreven aan de Beethovenstraat 9a¹ te Amsterdam. Er zijn geen aanwijzingen dat de kunstcollectie na deze verhuizing zich niet meer in de feitelijke macht van Irma Klein bevond.

6.3.4. Op grond van het bovenstaande kan van het volgende worden uitgegaan. In de zomer van 1940 bevond het thans geclaimde werk zich bij Irma Klein, al dan niet in opslag, en had zij de feitelijke macht over het werk. Als gevolg van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 1940, dat op 27 september 1940 in kracht van gewijsde ging, behoorde het werk tot de ontbonden maar nog niet verdeelde goederengemeenschap van Robert Lewenstein en Irma Klein. Het werk is geveild op 9 oktober 1940 en op de veiling aangekocht door het Museum.

Bezitsverlies

6.4      Hoe het werk precies op de veiling is gekomen, in wiens opdracht en onder welke omstandigheden, is ondanks uitgebreid onderzoek, onduidelijk gebleven, evenals het antwoord op de vraag wat met de veilingopbrengst is gebeurd. Verzoekers stellen dat het werk is geroofd en vervolgens op de veiling is aangeboden. Zij hebben gewezen op mogelijke betrokkenheid van de Dienststelle Mühlmann en Aloïs Miedl bij de veiling van de kunstcollectie van Lewenstein. Zij hebben hier echter geen bewijs voor aangedragen en ook het door de commissie verrichte onderzoek heeft geen enkele aanwijzing voor de betrokkenheid van de Dienststelle Mühlmann of Aloïs Miedl opgeleverd. Voorts is van belang dat in dit stadium van de bezetting nog geen anti-joodse maatregelen van kracht waren die gericht waren op het ontnemen van joodse bezittingen, zoals de latere zogeheten Eerste en Tweede Liro‑verordeningen uit 1941 (VO 148/41) en 1942 (VO 58/42).
           Wel van kracht ten tijde van de veiling en daarvoor was VO 26/1940 van 24 juni 1940 betreffende de behandeling van vijandelijk vermogen. Op grond van deze verordening dienden vermogensbestanddelen, waaronder roerende zaken, van Nederlanders die hun woonplaats of verblijf in een vijandelijke staat hadden, waaronder ook Frankrijk, te worden aangegeven en kon hierover niet beschikt worden. Zoals hiervoor vermeld, bevond Robert Lewenstein zich ten tijde van de aanvang van de Duitse bezetting in Frankrijk en vluchtte hij omstreeks juni 1940 naar de Verenigde Staten. Dit land werd door de Duitsers nog niet als vijandelijke staat beschouwd. Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat de Duitse bezetter op grond van deze verordening het thans geclaimde werk heeft geconfisqueerd, iets wat gelet op de tekst van deze verordening ook niet mogelijk was.
           De commissie is zich ervan bewust dat gedurende de hele bezetting ook buiten deze verordeningen om bezittingen in beslag werden genomen, maar heeft geen enkele aanwijzing dat het thans geclaimde werk is geconfisqueerd. Bovendien had het voor de hand gelegen dat in geval van een confiscatie na de bezetting aangifte zou worden gedaan, bijvoorbeeld bij de Stichting Nederlands Kunstbezit of in het kader van verzoeken tot schadevergoeding. Dit is echter niet gebeurd.

6.4.1   De commissie heeft twee aanwijzingen gevonden waaruit kan worden afgeleid dat Irma Klein een rol heeft gespeeld bij het op de veiling brengen van het thans geclaimde werk. Ten eerste wordt in de eerder vermelde biografie van Wilhelmine Lewenstein het vermoeden uitgesproken dat Irma Klein een rol heeft gespeeld bij de verkoop van de kunstcollectie:‘Für den Rest ist ihr Bruder Bob Schlüsselfigur: Recherchen der Familie lassen vermuten, dass dessen zweite Ehefrau Irma, geb. Klein - Willy nennt sie, in Anspielung auf ihre rote Haarfarbe, nur ‘das rote Aas’ - etwas eigenmächtig die Bilder veräuβerte, das in holländischen Museen dem Zugriff der Nazis entgangen waren.’
           Een tweede aanwijzing voor de betrokkenheid van Irma Klein bij de veiling volgt uit de gegevens die bekend zijn over Das bunte Leben, zoals vermeld in 3.12. In 1948 schreef waarnemend museumdirecteur Jaffé dat dit schilderij in september 1940 was afgegeven ‘op verzoek van de eigenaresse, Mevrouw Lewenstein-Weyermann’. Naar de commissie aanneemt werd hiermee Irma Klein bedoeld. Hedwig Lewenstein-Weyermann was immers al overleden.
Hoewel uit beide aanwijzingen niet zonneklaar volgt dat het geclaimde werk met medewerking van Irma Klein naar de veiling is gebracht, heeft de commissie onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat die medewerking heeft ontbroken. De commissie heeft immers vastgesteld dat het geclaimde werk zich voorafgaand aan de veiling in de feitelijke macht van Irma Klein bevond. Irma Klein mocht het werk, dat behoorde tot een ontbonden maar nog niet verdeelde gemeenschap, weliswaar niet laten veilen zonder medewerking van Robert Lewenstein, maar niets wijst erop dat Robert Lewenstein deze medewerking niet heeft verleend. Dat Robert Lewenstein deze medewerking zou hebben verleend is ook aannemelijk, gelet op de door zijn advocaat al voor de bezetting uitgesproken wens om over te gaan tot verkoop van de kunstcollectie. Bovendien is het eventuele ontbreken van medewerking door Robert aan de verkoop ten opzichte van Irma Klein gerepareerd door de akte van verdeling van 10 januari 1947, zoals hierna onder 6.6 nader toegelicht.

6.5      Bij de beoordeling van de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan gaat het om de vraag of in voldoende mate aannemelijk is dat de eigenaar het bezit van het werk onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Bij de beantwoording van deze vraag in deze zaak is van belang dat naar het oordeel van de commissie het het meest aannemelijk is dat het werk met medewerking van Irma Klein en van Robert Lewenstein is geveild. Daarmee staat echter niet vast dat het werk vrijwillig uit hun bezit is geraakt en dat het bezitsverlies niet in verband kan worden gebracht met het naziregime. In dit verband wijst de commissie allereerst op de Derde Aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001, op grond waarvan verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig dienen te worden beschouwd tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Deze aanbeveling, die een omkering van de bewijslast inhoudt en niet rechtstreeks van toepassing is in bindend advieszaken, is gebaseerd op een vonnis van de Raad voor het Rechtsherstel van 1 juli 1952 in de zaak Gutmann. In dit vonnis overwoog de Raad dat, ook al was er geen sprake van directe, door de kopers van de kunstwerken uitgeoefende dwang, de bijzondere omstandigheden een beroep op het begrip gedwongen verkoop wel degelijk rechtvaardigen. Volgens de Commissie Ekkart bood dit vonnis een duidelijke basis voor een beleidsuitgangspunt, dat bij verkopen van kunstwerken door joodse Nederlanders vanaf 10 mei 1940 de kwalificatie gedwongen verkoop kan worden gegeven, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Daarbij overwoog de Commissie Ekkart: ‘Reeds bestaande of dreigende maatregelen van de bezetter tot inlevering van kunstvoorwerpen bij een bezettingsinstantie en het feit dat bij een vlucht uit lijfsbehoud de achtergebleven bezittingen zouden worden geconfisqueerd, vormden immers veelal de drijvende motieven om kunstbezit te gelde te maken.’

6.5.1. Het op de veiling aanbieden van het thans geclaimde werk en de rest van de kunstcollectie door Irma Klein en Robert Lewenstein, lijkt mede verklaard te kunnen worden door de Commissie Ekkart genoemde motieven voor joodse eigenaren om hun kunstbezit te gelde te maken. In dit verband kan gewezen worden op het volgende:
- Irma Klein was in de jaren dertig uit nazi-Duitsland naar Nederland gevlucht, waar zij op grond van haar joodse afkomst niet meer in staat was haar beroep als actrice uit te oefenen. Zij was dus zeer waarschijnlijk goed op de hoogte van de door de nazi’s in Duitsland getroffen anti‑Joodse maatregelen en kon zich een goede voorstelling maken van wat zij te verwachten had in Nederland. 
- Irma Klein droeg vanaf een zeker moment zorg voor het onderhoud van haar broer en dat van anderen. Ook zorgde zij voor haar uit Duitsland gevluchte moeder, die bij haar in huis woonde. Zij zal hiervoor financiële middelen nodig gehad hebben, naast die voor haar eigen levensonderhoud. De mogelijkheden voor een gevluchte Duitse joodse vrouw, gescheiden van tafel en bed, om op een reguliere wijze voldoende inkomsten te vergaren zullen uiterst beperkt zijn geweest.
- Ten tijde van de veiling bij Frederik Muller waren er nog geen anti-Joodse maatregelen van kracht die gericht waren op het ontnemen van joods bezit. Wel van kracht was Verordening 26/1940 van 24 juni 1940 betreffende de behandeling van vijandelijk vermogen. Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat het thans geclaimde werk op grond van deze verordening is geconfisqueerd, bestond destijds al reden voor de vrees dat een dergelijke maatregel te verwachten viel. In dit verband kan gewezen worden op een dagvaarding van 31 augustus 1945 waarin Irma verklaarde dat zij tijdens de oorlog bij haar echtscheidingsvordering niet om een scheiding en deling had verzocht. Zij zou dit hebben nagelaten omdat het gevaar bestond 'dat het aan gedaagde toekomende gedeelte der gemeenschap door Duitse instanties zou worden in beslag genomen'. Deze dreigende maatregel kan een mogelijke reden zijn geweest voor Irma om de kunstcollectie te gelde te maken.
- Wat betreft de positie van Robert kan er op gewezen worden dat hij Nederland reeds in 1939 had verlaten en dat dit vertrek moeilijk als een direct gevolg van het naziregime kan worden gezien. Na mei 1940 veranderde dit echter. Robert maakte de verstandige keuze om vanuit Frankrijk te vluchten naar de Verenigde Staten. Daar verbleef hij echter in moeilijke financiële omstandigheden. Het was niet mogelijk om hem zijn maandelijkse toelage van de NV over te maken en hij beschikte niet over de benodigde vergunningen om te werken. Deze moeilijke financiële omstandigheden waarin Robert verkeerde, hoewel in een veilig land, kunnen niet los worden gezien van het naziregime, en kunnen voor hem reden zijn geweest om mee te werken aan de verkoop van de kunstcollectie.

6.5.2.  Gelet op bovenstaande omstandigheden is een verband mogelijk tussen de veiling van het thans geclaimde werk en de dreiging die uitging van het naziregime voor Irma Klein, en in mindere mate voor Robert Lewenstein. Bij het onderzoek zijn echter geen gegevens aangetroffen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat bovengenoemde omstandigheden voor Irma Klein of Robert Lewenstein een rol hebben gespeeld bij het aanbieden van het werk op de veiling.
           Wel is uit het onderzoek gebleken dat de financiële situatie van Robert en Irma in de jaren voorafgaand aan de veiling verslechterde. In dit verband kan erop gewezen worden dat het vermogen en inkomen van de ouders van Robert Lewenstein voor hun overlijden er op achteruit waren gegaan en dat de NV Lewenstein in de periode 1935-1938 een verlies had geleden van NLG 100.000. Ook het ontslag van Robert Lewenstein als directeur van de NV en de echtscheiding van Robert Lewenstein en Irma Klein zullen hebben bijgedragen aan deze financiële achteruitgang. Deze financiële achteruitgang was het gevolg van gebeurtenissen die al – ruim – voor de Duitse inval in gang waren gezet en daarom niet het gevolg waren van het naziregime.
           Ook zijn er concrete aanwijzingen dat al voor de Duitse inval gesproken werd over de verkoop van de kunstcollectie. Op 2 november 1939 schreef mr. Levy dat ‘de stand van beide echtgenooten allerminst toelaat, den kostbaren inventaris, herkomstig van gedaagdes ouders uit lang vervlogen financieel-goede tijden, aan te houden, doch integendeel gebiedt, dien inventaris zoo spoedig mogelijk te gelde te maken’. In reactie schreef mr. Coopman op 2 januari 1940 dat Irma Klein ‘het immoreel [vindt] als zij de kostbare familie-eigendommen, antiek en schilderijen thans zou verkoopen, nu voor deze goederen geen koopers (buitenlanders) op de markt zijn, en slechts afbraakprijzen voor te krijgen zijn. / Het is bovendien niet in het belang van Lewenstein èn appellante als deze familie-stukken in het openbaar geëxecuteerd moeten worden, waarop dit geheele drijven dreigt uit te loopen.

6.5.3. Al met al brengt dit de commissie tot de conclusie dat de verkoop van het thans geclaimde werk enerzijds niet los kan worden gezien van het naziregime maar anderzijds mede moet zijn veroorzaakt door de verslechterde financiële omstandigheden waarin Robert Lewenstein en Irma Klein al voor de Duitse inval verkeerden, ook gelet op de uitspraken van betrokkenen uit de jaren dertig. Daarom komt het in deze zaak vooral aan op de door de Commissie te verrichten belangenafweging

Gevolgen van de verdeling in 1947

6.6      Gelet op overweging 6.3.4. staat voldoende vast dat het werk ten tijde van de veiling behoorde tot de ontbonden maar nog niet verdeelde goederengemeenschap in het huwelijk tussen Robert Lewenstein en Irma Klein. Voor de vraag wie thans het werk kan claimen, is echter van belang aan wie het werk uiteindelijk is toebedeeld. De verdeling van de gemeenschap werd vastgelegd in een op 10 juni 1947 voor notaris mr. August Henri Ketel verleden akte van 'scheiding en deling van al hetgeen behoort tot de in hun huwelijk bestaan hebbende gemeenschappelijke boedel'. In de akte wordt niet expliciet verwezen naar het geclaimde werk of naar enig ander kunstwerk. Wel wordt het volgende opgemerkt over de verdeling van de tot de gemeenschappelijke boedel behorende roerende lichamelijke zaken:
'Zij
[Robert Lewenstein en Irma Klein] verklaarden daartoe vooraf: [...] dat de tot de gemeenschappelijke boedel behorende roerende lichamelijke zaken reeds door partijen zijn verdeeld, hebbende ieder het hem of haar toebedeelde ontvangen, en dat voorts diverse activa en passiva, waarvan door partijen of een van hen wordt gepretendeerd, dat zij tot de gemeenschappelijke boedel behoren, in dier voege zijn gescheiden en verdeeld, dat ieder de in zijn of haar bezit zijnde activa behoudt en de door hem of haar betaalde passiva voor zijn of haar rekening houdt, behoevende er terzake van een of ander geen verrekening plaats te hebben.’

Deze verdeling was op grond van het toen geldende recht declaratief en had terugwerkende kracht tot de dag van ontbinding van de gemeenschap ten gevolge van de scheiding van tafel en bed. Hieruit volgt naar het oordeel van de commissie dat Irma Klein, die op het moment van de ontbinding van de gemeenschap in het feitelijke bezit was van het thans geclaimde werk, als gevolg van de verdelingsovereenkomst met terugwerkende kracht tot in ieder geval 27 september 1940, de datum waarop het vonnis tot scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde ging, volledig eigenaar is geworden van het thans geclaimde werk. Dit leidt tot de conclusie dat slechts de erfgenaam van Irma Klein, verzoekster CC, het werk kan claimen. 

Verwerving door de gemeente

6.7      Naar Nederlands recht moet ervan worden uitgegaan dat de gemeente thans eigenaar is van het werk. Verzoekers hebben aangevoerd dat de gemeente bij de verwerving van het werk op de veiling in 1940 te kwader trouw is geweest. Zij hebben dit echter niet aannemelijk gemaakt met feiten waaruit dit zou kunnen volgen. Het enkele feit dat de gemeente in oktober 1940 op een veiling een werk heeft aangekocht afkomstig uit joods bezit maakt niet dat deze aankoop niet te goeder trouw is verricht.

Belangenafweging

6.8      Thans komt de commissie toe aan een afweging van de betrokken belangen. Uit het voorgaande volgt dat de commissie rekening zal houden met de belangen aan de zijde van verzoekster CC bij restitutie van het werk en met de belangen aan de zijde van de gemeente bij behoud van het werk. Verzoekster CC heeft desgevraagd bij brief toegezonden op 5 juni 2018 haar belang bij restitutie van het werk toegelicht. Zij schrijft: ‘For me, as far as it matters, I think the story simply may not end with people, institutions, governments, or anyone, getting away with what they wrongfully did. This is about more than the painting itself. Returning the ownership of the painting would do justice to the memory of Irma and Robert and to those who stand near them’.

De commissie neemt het volgende in aanmerking:
- De verkoop van het thans geclaimde werk in oktober 1940 kan niet los kan worden gezien van het naziregime maar was mede het gevolg van de verslechterde financiële omstandigheden waarin Robert Lewenstein en Irma Klein al voor de Duitse inval verkeerden. Dit biedt naar het oordeel van de commissie een minder sterke grondslag voor restitutie dan een geval waarin sprake is van roof of confiscatie.
- Daarbij komt dat niet is gebleken dat Irma Klein in de periode na de Duitse bezetting pogingen heeft ondernomen om het thans geclaimde werk terug te vragen aan het Museum, terwijl redelijkerwijs kan worden verondersteld dat zij wist of had kunnen weten dat het werk zich daar bevond. Gelet op de diverse bruiklenen had het Museum voor en na de oorlog een goede relatie met de familie Lewenstein en met Irma Klein. Ook de erfgenaam van Irma Klein, verzoekster CC, heeft geen pogingen ondernomen het werk terug te vragen en behoorde aanvankelijk niet tot de verzoekers om restitutie in deze zaak.
- Niet gebleken is dat de gemeente het werk in 1940 niet te goeder trouw heeft verworven. Zij heeft het werk sinds die tijd in haar bezit. Haar stelling dat het werk een belangrijke kunsthistorische waarde heeft en een essentiële schakel vormt in het beperkte overzicht van het werk van Kandinsky binnen de collectie van het Museum, een dienovereenkomstige plaats in die collectie inneemt, en is opgenomen in de permanente presentatie, is door verzoekers onvoldoende weersproken en stemt overeen met het eigen oordeel van de commissie.
- Met betrekking tot de belangen van verzoekster CC is slechts bekend dat zij als erfgename van Irma Klein optreedt zonder dat zij enige uit het verleden te verklaren emotionele of andere intense binding heeft met het werk.

Alles afwegend is de commissie van oordeel dat het hierboven vermelde belang van verzoekster CC bij restitutie niet opweegt tegen het belang van de gemeente bij behoud van het werk.

7.        Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de commissie het verzoek tot restitutie zal afwijzen.

BINDEND ADVIES

De gemeente Amsterdam is niet gehouden tot teruggave van het schilderij Bild mit Häusern aan verzoekers.

Dit bindend advies is gegeven op 22 oktober 2018 door A. Hammerstein (voorzitter), J.H.W. Koster, J.H. van Kreveld, E.H. Swaab, H.M. Verrijn Stuart (plaatsvervangend voorzitter), G.N. Verschoor en C.C. Wesselink en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A.  Hammerstein, voorzitter)                         (E.J.A. Idema, secretaris)