Tekening Judenviertel in Amsterdam door Max Liebermann

Bindend advies inzake het geschil over de teruggave van de tekening Judenviertel in Amsterdam, door Max Liebermann, thans in het bezit van de gemeente Amsterdam

Dossiernummer: 
RC 3.172
Soort advies: 
Bindend advies
Adviesdatum: 
16 april 2019
Periode bezitsverlies: 
onbekend
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

Bindend advies

in het geschil tussen:

AA, te XX, in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van BB;
CC
, te XX;
DD, te XX, in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van EE;
FF,
te XX,
allen vertegenwoordigd door Ellen R. Werther, advocaat te New York,
GG,
te XX, vertegenwoordigd door David J. Rowland, advocaat te New York;
(hierna: verzoekers)

en:

de Gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente),
vertegenwoordigd door de directeur van het Stadsarchief Amsterdam, HH.

gegeven door de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog te Den Haag (de Restitutiecommissie), verder te noemen: de commissie.

1.         Het geschil

De gemeente is sinds 1964 eigenaar van de tekening Judenviertel in Amsterdam door Max Liebermann (hierna: de tekening). De tekening wordt beheerd door het Stadsarchief Amsterdam. Verzoekers stellen dat de tekening behoorde tot de collectie van dr. Gustav Kirstein (1870-1934) en zijn echtgenote Therese Clara Stein (1885-1939), en na hun overlijden toebehoorde aan hun dochters Gabriele Heidi Lotte Kirstein (1905-1957) en Marianne Erika Kirstein (1907-1981). Volgens verzoekers is het bezit van de gehele collectie Kirstein, waaronder de thans geclaimde tekening, verloren gegaan als gevolg van de anti-joodse maatregelen van de nazi’s. Verzoekers hebben de gemeente om restitutie van de tekening gevraagd. De gemeente en verzoekers (hierna tezamen: partijen) hebben het geschil voorgelegd aan de commissie voor onderzoek en bindend advies.

2.         De procedure

Partijen hebben de commissie gevraagd, bij afzonderlijke brieven van de gemeente van 23 mei 2017 en verzoekers van 12 juli 2017, om bindend advies uit te brengen in het kader van artikel 2, lid 2 van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft laten weten in te stemmen met de behandeling van deze zaak door de commissie. De tussenkomst van de minister is ingegeven om pragmatische redenen. De Staat is op geen enkel tijdstip partij geworden in de procedure.

Partijen hebben schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (vastgesteld door de commissie op 3 december 2007, zoals laatstelijk gewijzigd op 27 januari 2014, hierna: het Reglement) en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden. De commissie heeft zich overtuigd van de identiteit van partijen.

De commissie heeft kennis genomen van alle door partijen overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken aan de andere partij gestuurd. Daarnaast heeft de commissie zelfstandig nader onderzoek verricht. In het kader van dit onderzoek heeft de commissie schriftelijke vragen gesteld aan partijen en verzocht om informatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een feitenoverzicht van 2 juli 2018. Partijen hebben hierop gereageerd.

3.         De feiten

De commissie gaat uit van de volgende feiten:

Familie Kirstein

3.1       Gustav Kirstein (1870-1934) was gehuwd met Therese Clara Stein (1885-1939). Beiden waren van joodse afkomst. Het echtpaar woonde in Leipzig en kreeg twee dochters, Gabriele Heidi Lotte Kirstein (1905-1957) en Marianne Erika Kirstein (1907-1981). Gustav Kirstein voerde vanaf oktober 1899 samen met zijn compagnon Arthur Seemann de leiding over de gerenommeerde kunstuitgeverij E.A. Seemann. Kirstein was een vriend van en mecenas voor veel prominente kunstenaars van zijn tijd, onder wie Max Liebermann, Lovis Corinth en Max Klinger. Gedurende zijn leven had Gustav Kirstein een grote collectie kunst bijeen gebracht van kunstenaars als Max Klinger, Max Liebermann, Edouard Manet, Adolph Menzel, Lovis Corinth, Käthe Kollwitz, Georg Kolbe, Carl Spitzweg en Hans Thoma.

3.2       Na de machtsovername door de nazi’s in Duitsland in 1933 werd het echtpaar Kirstein getroffen door de anti-joodse maatregelen. Zo werd Gustav Kirstein gedwongen verschillende functies neer te leggen en de door hem opgerichte uitgeverij te verlaten. Hierna heeft Gustav Kirstein een deel van de uitgeverij zelfstandig voortgezet.
            Gustav Kirstein overleed op 14 februari 1934. Zijn weduwe nam de uitgeverij over, totdat deze in 1938 door de nazi’s onder beheer werd geplaatst. In 1942 werd de uitgeverij door de nazi’s verkocht. In het voorjaar van 1939 werd Clara Kirstein verplicht haar familiejuwelen en zilverwerk af te staan. Haar twee dochters waren vanwege hun vervolging door de nazi’s inmiddels gevlucht naar de Verenigde Staten. Ook Clara Kirstein wilde hiernaartoe vluchten. Daarvoor diende zij echter een grote som aan belastingafdrachten te voldoen. Hiervoor verkocht zij een deel van haar kunstverzameling. Op de dag voor het voorgenomen vertrek van Clara Kirstein uit Duitsland werd haar paspoort in beslag genomen en werd zij door de Gestapo opgeroepen om zich te melden. Op 29 juni 1939 pleegde ze zelfmoord. Haar twee dochters waren haar erfgenamen.

Lot van de kunstcollectie

3.3       Uit de voorhanden documentatie kan worden afgeleid dat de door Gustav Kirstein verzamelde kunstcollectie in 1939 en daarna is verkocht of te koop is aangeboden. Een deel kwam op 28 april 1939 bij veilinghuis en kunsthandelaar C.G. Boerner te Leipzig onder de hamer. Na de dood van Clara Kirstein verkocht de beheerder van haar nalatenschap, de joodse executeur-testamentair dr. Richard Marcuse, een aantal kunstwerken aan het Bildermuseum in Leipzig. Een ander deel van de kunstcollectie liet hij opslaan bij veilinghuis Boerner.
            Weer een ander deel van de kunstcollectie werd geïnventariseerd door veilinghuis Hans Klemm te Leipzig. Dit veilinghuis was betrokken bij de verkoop van joodse bezittingen. De Duitse publicist Thomas Ahbe illustreerde de werkwijze van dit veilinghuis aan de hand van de eigendommen van Kirstein:
Wie die deutschen Juden um ihren Kunstbezitz gebracht wurden, illustriert eine Aufstellung des Auswanderergutes von Klara Theres K.
[Clara Therese Kirstein, RC] Darunter befindet sich auch eine “Liste der jüdischen und entarteten Kunstwerken aus dem Nachlass von Frau Claire Kirstein”. Der Verfasser führt Bilder von Lovis Corinth, Max Liebermann und Otto Engel auf. Am Ende der Liste wird der Klara Theres K. bescheiden: “Die hier aufgeführten Kunstwerken sind in Deutschland unverkäuflich und deswegen wertlos”.

3.4       Op de door Ahbe genoemde ‘Liste der jüdischen und entarteten Kunstwerken aus dem Nachlaß von Frau Claire Kirstein’ (hierna: de Klemm-lijst) staan enkele honderden kunstwerken, met name tekeningen en grafische werken, waarbij Lovis Corinth, Otto Engel, Berthold Kirstein en Max Liebermann met naam als kunstenaar genoemd zijn. In veel gevallen worden de individuele werken niet omschreven, maar is volstaan met het opsommen van het aantal. Dat is ook het geval bij de meeste werken van Max Liebermann, die op de Klemm-lijst slechts als groep zijn vermeld:

            Max Liebermann: Alsterbassin.Oel
                                    Netzeflickerin.Oel
                                    Familienkreis.Oel
                                    Kleines Kind.Oel
                                    9 Pastelle
                                    Porträit Kirstein.Kreide
                                    1o8 Blatt Zeichnungen
                                    119 Blatt Graphik

Of de op de lijst genoemde tekeningen daadwerkelijk door Klemm zijn geveild is onduidelijk, gezien de opmerking van het veilinghuis dat de desbetreffende werken in Duitsland onverkoopbaar waren.

3.5.      De op 25 november 1941 door de nazi’s afgekondigde elfde verordening op het Reichsburgergesetz bepaalde dat alle joodse vluchtelingen die uit Duitsland waren vertrokken hun staatsburgerschap verloren en dat hun bezittingen aan de Duitse Staat vervielen. In de verordening was vastgelegd dat alle eigendommen aangegeven moesten worden bij de Oberfinanzpräsident Berlin-Brandenburg. Bij brief van 2 mei 1942 verstrekte executeur‑testamentair Marcuse een gedetailleerde opgave van de bestanddelen van de nalatenschap van Clara Kirstein, waarbij hij aangaf dat de eerder bij Boerner gedeponeerde kunstwerken zich daar nog bevonden. In 1943 gaf de Oberfinanzpräsident Berlin-Brandenburg opdracht om de rest van de kunstwerken uit de collectie van Kirstein te verkopen. Volgens verzoekers kwam een deel van de kunstwerken daarna onder de hamer bij Boerner. Een ander deel van de werken zou onderhands zijn verkocht.

Na de oorlog

3.6       Op 23 december 1958 diende advocaat dr. Boekle uit Tübingen namens Marianne Baer-Kirstein en de erfgenaam van haar inmiddels overleden zuster Gabrielle Jacobsen-Kirstein op grond van het medio 1957 ingevoerde Bundesrückerstattungsgesetz een claim in bij de West-Duitse overheid waarin werd gevraagd om compensatie van de van Clara Kirstein geroofde bezittingen. Het verzoek om compensatie betrof onder meer zilverwerk, inboedel, de uitgeverij en ‘Kunstgegenstände’. In een eerdere brief van 18 december 1958 schreef advocaat Boekle dat Clara Kirstein na haar dood een ‘beträchtliches Vermögen’ had nagelaten, waarvan ‘ihre Kinder und Erben nichts erhalten haben. Das gesamte Vermögen ging also verloren’. Boekle schreef over de kunstcollectie dat deze na de dood van Clara Kirstein nog aanwezig was, maar dat onbekend was waar de individuele kunstwerken nadien terecht waren gekomen:
Herr Dr. Kirstein besass eine bekannte und wertvolle Sammlung von Kunstgegenständen, u.a. Bilder von Menzel, Corinth, Liebermann, Käthe Kollwitz sowie Skulpturen von Kolbe u.a. Diese Sammlung war beim Tode von Frau Kirstein noch vorhanden. Es ist noch nicht geklärt, wohin die einzelnen Gegenstände gekommen sind. Wir sind dabei, weitere Nachforschungen anzustellen, und werden weitere Unterlagen nachreichen.

In een brief van 11 juli 1961 schreef Boekle:
Was die Kunstgegenstände anbetrifft, so handelte es sich um eine ausserordentlich wertvolle Sammlung. Es erscheint deshalb ausgeschlossen, dass diese samt und sonders in Leipzig geblieben sind. Teilweise befanden sich darunter auch Werke der sogenannten nichtarischen Kunst. Insoweit muss angenommen werden, dass sie vernichtet worden sind. Ich habe vergeblich versucht, Nachforschungen über den Verbleib dieser Kunstgegenstände anzustellen. Bisher konnte ich vom Kläger Einzelheiten nicht erfahren.

Boekle was er wel in geslaagd om bij de voormalige secretaresse van Gustav Kirstein, mevrouw Bungter, een schriftje te traceren waarin de stand van zaken van de collectie anno januari 1917 was weergegeven:
Dagegen ist es mir gelungen, ein Verzeichnis der Sammlung Dr. Kirstein zu erhalten. Die frühere langjährige Sekretärin von Herrn Dr. Kirstein, Frau Bungter, die heute in Leipzig lebt, hat mir ein Oktavheft übersandt, das sie noch in Besitz hatte und das ein Verzeichnis der Sammlung nach dem Stand vom 10.1.1917 enthält.

Volgens Bungter was de kunstcollectie niet wezenlijk gewijzigd sinds 1917. Boekle verklaarde dat er geen aanleiding was geweest voor Kirstein om werken uit zijn collectie te verkopen, omdat zijn financiële situatie voorspoedig was:
Frau Bungter versicherte mir in einem Schreiben, dass sich ihrer Ansicht nach der Bestand nicht wesentlicht verändert habe. Das dürfte auch der Erfahrung entsprechen, da Herr Dr. Kirstein ja in guten finanziellen Verhältnissen lebte und keinen Grund hatte, Bestandteile seiner Sammlung zu veräussern. Eine Durchsicht des Verzeichnisses zeigt, dass es sich um ausserordentlich wertvolle und teilweise berühmte Werke handelte. (...)

Het verzoek om compensatie werd uiteindelijk in 1965 afgewezen.

De thans geclaimde tekening

3.7       De tekening Judenviertel in Amsterdam door Max Liebermann is een tekening in potlood, meet 300 x 222 mm en is gedateerd ca. 1876. Afgebeeld is de Rapenburgwal. Over de herkomstgeschiedenis van de tekening is het volgende bekend.
            In het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) is een foto van de tekening aangetroffen met het bijschrift: ‘Max Liebermann, Judenviertel in Amsterdam, Bleistiftzeichnung, 1876’. Op de foto is met de hand aangetekend: ‘Kunst und Künstler, Oct. 1913’, een verwijzing naar het te Berlijn door Paul Cassirer uitgegeven tijdschrift Kunst und Künstler.
           
In een inventarislijst van de collectie Kirstein die Boekle in zijn brief van 11 juli 1961 noemde is op het titelblad geschreven ‘Verzeichnis der Sammlung aufgenommen 10/1.17’. Zoals vermeld is deze lijst na de oorlog aangetroffen bij de secretaresse van Kirstein. Onder de ongeveer 40 op deze lijst vermelde tekeningen van Max Liebermann bevindt zich een werk met de omschrijving ‘Amsterdam 76’.
           
In het boek ‘Max Liebermann’ van Erich Hancke uit 1923 is de tekening afgebeeld onder de titel ‘Amsterdamer Gracht, um 1876’, met als vermelding van de eigenaar ‘Besitzer: Gustav Kirstein, Leipzig’.

3.8       Op 3 december 1964 kwam de thans geclaimde tekening onder de hamer bij de Math. Lempertz’sche Kunstversteigerung te Keulen. De identiteit van de inbrenger is niet bekend. Wel kan uit de ‘Verzeichnis der Besitzer’ worden afgeleid dat op de veiling deze inbrenger slechts één lot inbracht: de thans geclaimde tekening. De veilingcatalogus vermeldt:

            403      AMSTERDAMER GRACHT             1 200.--
                                   Bleistiftzeichnung. 29 x 20 cm. Bezeichnet unten rechts: Judenviertel in

                                                   Amsterdam -- Unter Glas gerahmt.

                                   Sammlung: Dr. Gustav Kirstein, Leipzig.

                                   Abbildungen:
                                   Kunst und Künstler (Berlin 1914) Jahrgang XII, Seite 11.

                                   Erich Hancke. Max Liebermann (Berlin 1923) Seite 277.

                                   (…)

Op de veiling werd het kunstwerk aangekocht door de gemeente Amsterdam voor DM 1300, nadat de gemeente per brief een biedopdracht had verstrekt. De aankoop is gefinancierd door Fonds Van Eck.

4.         De standpunten van partijen

4.1       Verzoekers stellen dat de thans geclaimde tekening onderdeel was van de door Gustav en Clara Kirstein verzamelde kunstcollectie. Hoewel niet precies bekend is wanneer en op welke wijze het bezit van de thans geclaimde tekening door Clara Kirstein of haar dochters verloren is gegaan, kan er volgens verzoekers vanuit worden gegaan dat het bezit van de gehele kunstcollectie van Gustav en Clara Kirstein verloren is gegaan als gevolg van hun vervolging door de nazi’s. Verzoekers zijn sinds ongeveer 2000 bezig met het achterhalen en terugkrijgen van deze collectie. Verzoekers omschrijven hun belang bij hun restitutieverzoek als ‘restoring ownership interests’.

4.2       De gemeente stelt dat de herkomst van de thans geclaimde tekening haar voordat zij door verzoekers benaderd werd niet bekend was. De gemeente benadrukt dat indien onvrijwillig bezitsverlies ook maar enigszins aannemelijk is, zij graag wil meewerken aan restitutie van de tekening dan wel een regeling wil treffen om de tekening weer aan te kopen. Over het belang van de tekening voor de gemeente schrijft zij:
Het documenteren van het Joodse leven in Amsterdam is een belangrijk thema in de collecties van het Stadsarchief. Veel locaties in de voormalige Jodenbuurt zijn door de Tweede Wereldoorlog onherkenbaar veranderd of definitief verdwenen. In het algemeen zijn kunstenaars die het Joodse leven uitbeelden van groot belang voor onze collectie. Daarbinnen is Liebermann als zeer belangrijke buitenlandse kunstenaar die Amsterdam uitbeeldt zeer waardevol. Het Stadsarchief verzamelt zijn Amsterdamse werk (grafiek en tekeningen) en bezit een klein aantal tekeningen van zijn hand waarvan dit de vroegste is (het is ook een van de vroegste in Nederland gemaakte werken van Liebermann), gemaakt tijdens een lange studiereis naar Amsterdam waar bij onder meer het August Allebé door de Jodenbuurt wandelde. De tekening ‘Jüdenviertel in Amsterdam’ waarop de Rapenburgerwal en bewoners en passanten zeer precies en gedetailleerd is vastgelegd, is de enige negentiende-eeuwse afbeelding van deze locatie in onze collectie.

5.         De taak van de commissie

5.1       Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak op verzoek van partijen advies uit te brengen over geschillen tot teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. Dit advies is een bindend advies in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek.

5.2       De commissie adviseert naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit houdt allereerst in dat wordt beoordeeld of voldaan is aan de vereisten dat het in hoge mate aannemelijk is dat de gestelde oorspronkelijke eigenaar inderdaad de eigenaar was en dat in voldoende mate aannemelijk is dat hij of zij het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarnaast biedt advisering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ruimte om rekening te houden met de wijze van verwerving door de huidige eigenaar en andere omstandigheden en om de diverse betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

5.3       Bij haar advisering ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit, kan de commissie conform artikel 3 van het Reglement in ieder geval in haar advisering betrekken de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan, de mate waarin de partij die om teruggave verzoekt zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, alsmede het tijdstip en de omstandigheden van de verwerving van het bezit door de huidige bezitter en het door hem verrichte onderzoek voor de verwerving. Daarnaast kan het onderscheidenlijke belang van het werk voor de beide partijen en van het openbaar kunstbezit in de advisering worden betrokken. De internationaal en nationaal aanvaarde beginselen, zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst, worden in de advisering betrokken.
            Dit ruime afwegingskader doet ook recht aan de Washington Principles, volgens welke beginselen het restitutiebeleid gericht moet zijn op het bereiken van ‘a just and fair solution, recognizing this may vary according to the facts and circumstances surrounding a specific case.

6.         Beoordeling van het geschil

6.1       Verzoekers stellen gezamenlijk gerechtigd te zijn tot het vermogen van Clara Kirstein. Dit hebben zij naar het oordeel van de commissie voldoende aangetoond met de door hen overgelegde erfrechtelijke documentatie.

6.2       Op grond van de in 3.7 en 3.8 vermelde herkomstgegevens van de tekening, en de diverse verwijzingen daarin naar (de collectie) Kirstein is voldoende aannemelijk dat de tekening tot de collectie van Gustav Kirstein heeft behoord. Gelet op de vermelding in het boek van Hancke uit 1923 kan er vanuit worden gegaan dat de tekening in dat jaar in ieder geval nog tot de collectie behoorde maar in 1964, na de verwerving door de gemeente, niet meer. De commissie ziet zich gesteld voor de vraag of het bezit van de tekening in de tussenliggende periode als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig verloren is gegaan. Op grond van de feiten zoals weergegeven in 3.3, 3.4 en 3.5 kan er naar het oordeel van de commissie vanuit worden gegaan dat de kunstcollectie van Kirstein in de periode vanaf 1939 als een gevolg van de vervolging door de nazi’s is verkocht of is geconfisqueerd. In dit verband kan ook nog verwezen worden naar de verklaring van advocaat Boekle dat het gehele vermogen van Clara Kirstein na haar dood verloren is gegaan en dat haar kinderen hiervan niets gekregen hebben.
            De vraag of de thans geclaimde tekening in 1939 nog tot de collectie Kirstein behoorde is minder eenvoudig te beantwoorden. Er zijn geen aanwijzingen dat de tekening voor 1939 is verkocht. Daarentegen zijn er de volgende aanwijzingen dat de tekening in 1939 nog tot de collectie behoorde:
- de verklaring van de voormalige secretaresse van Kirstein, mevrouw Bungter, dat de kunstcollectie niet wezenlijk gewijzigd was sinds 1917;
- de verklaring van advocaat Boekle dat er geen aanleiding was voor Kirstein om werken uit zijn collectie te verkopen;
- tot de collectie Kirstein behoorde in 1939 volgens de Klemm-lijst een groot aantal werken van Liebermann hetgeen een aanwijzing is dat op dat moment de collectie nog in belangrijke mate intact was.
            Gelet op deze aanwijzingen en rekening houdend met ‘unavoidable gaps or ambiguities in the provenance in light of the passage of time and the circumstances of the Holocaust era’ zoals verwoord in de Washington Principles, is naar het oordeel van de commissie voldoende aannemelijk dat het bezit van de tekening als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig verloren is gegaan.

6.3       De gemeente heeft de tekening op een veiling in 1964 verworven. Ten tijde van deze verwerving was, gelet op de veilingcatalogus, bekend dat de tekening afkomstig was uit de collectie Kirstein. De commissie acht het echter niet redelijk dit bij haar beoordeling in het nadeel van de gemeente te laten wegen, gelet op het feit dat niet meer bekend was dat de tekening afkomstig was uit de collectie Kirstein en dat ten tijde van de verwerving aan musea nog geen eisen werden gesteld op het gebied van deugdelijke bewijzen van herkomst of eventueel een onderzoek plicht. Naar Nederlands recht moet ervan worden uitgegaan dat de gemeente thans eigenaar is van de tekening. De gemeente heeft gewezen op de belangrijke plaats van de tekening binnen de collectie van het Stadsarchief, zoals aangehaald in 4.2.

6.4        Bij een beoordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan de commissie alle belangen betrekken. In deze zaak komt naar het oordeel zwaarwegend belang toe aan de wijze waarop het bezit van het werk verloren is gegaan. Verzoekers zijn, grotendeels, nazaten van Gustav en Clara Kirstein, die een omvangrijke kunstcollectie hadden verzameld, waaronder de thans geclaimde tekening. Het bezit hiervan is onvrijwillig verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. De belangen van de gemeente bij behoud van de tekening wegen hier naar het oordeel van de commissie niet tegen op. Dit leidt tot het oordeel dat de commissie zal adviseren de tekening te restitueren aan verzoekers.

6.5       De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of aan de afgifte van de tekening nadere voorschriften dienen worden te verbonden, in verband met de door de gemeente uitgesproken wens om een regeling te treffen om de tekening weer aan te kopen. De commissie geeft partijen in overweging om zelf een dergelijke regeling te treffen, indien zij dit wensen.
            Een andere vraag betreft of aan de belissing tot afgifte van de tekening een tegenprestatie door verzoekers dient te worden verbonden. In dit verband is van belang dat de gemeente het werk in 1964 heeft verworven voor een bedrag van NLG 1352,75 en dat er geen aanwijzingen zijn dat de gemeente destijds niet te goeder trouw heeft gehandeld. De commissie is van oordeel dat het aankoopbedrag een relatief gering bedrag betreft, terwijl de gemeente wel sinds 1964 het genot van de tekening heeft gehad. Onder deze omstandigheden ziet de commissie geen aanleiding om aan de afgifte van de tekening een tegenprestatie door verzoekers te verbinden.

7.        Op grond van het vorenstaande zal de commissie adviseren de tekening te restitueren aan verzoekers.

BINDEND ADVIES

De commissie adviseert de gemeente Amsterdam de tekening Judenviertel in Amsterdam door Max Liebermann te restitueren aan verzoekers.

Dit bindend advies is gegeven op 16 april 2019 door A. Hammerstein (voorzitter), J.H.W. Koster, J.H. van Kreveld, D. Oostinga, E.H. Swaab (plaatsvervangend voorzitter) en C.C. Wesselink en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A.  Hammerstein, voorzitter)                         (E.J.A. Idema, secretaris)