a. De huidige NK-collectie

Ondanks de grote onderzoeksinspanningen van de afgelopen jaren en de in vergelijking met de oorspronkelijke verwachtingen verrassende resultaten bij het reconstrueren van de herkomst van de kunstwerken uit de NK-collectie, moet worden geconstateerd dat van vele kunstwerken niet kan worden vastgesteld wie de oorspronkelijke eigenaren zijn geweest. Veelal begint de herkomstgeschiedenis van werken uit de NK-collectie pas bij een handelaar die het tussen 1940 en 1945 vrijwillig aan Duitsers heeft verkocht en kunnen we niet nagaan van wie de betreffende handelaren deze werken hadden verworven. Op grond van vergelijking met de wel volledig te documenteren herkomsten lijkt het waarschijnlijk dat er in vele gevallen sprake is van volstrekt reguliere handel, waarbij geen sprake is geweest van gedwongen afstand van bezit. Voor een hoeveelheid kunstwerken echter leidt het spoor terug naar roofinstanties, zoals de LiRo-bank, maar ontbreken alle aanwijzingen uit wiens eigendom het daar is ingebracht. Dit betekent dat zich in de onder beheer van de Nederlandse staat gestelde collectie van gerecupereerde werken stukken bevinden, die met zekerheid of grote waarschijnlijkheid behoren tot de categorie door roof, confiscatie of gedwongen verkoop aan de oorspronkelijke joodse eigenaren afhandig gemaakte kunstwerken, waarvoor geen rechthebbenden kunnen worden aangewezen. Het gaat daarbij om enkele tientallen stukken,  voor het merendeel objecten van kunstnijverheid en daarnaast een aantal vooral 19de-eeuwse schilderijen. Het herkomstonderzoek heeft geen enkel voorwerp opgeleverd waarbij aanwijzingen bestaan voor herkomst uit bezit van een andere vervolgde bevolkingsgroep dan de joodse gemeenschap.

Gezien de uitgangspunten van het regeringsbeleid acht de commissie het onjuist om de herkomstinformatie over deze voorwerpen stilzwijgend te negeren en zonder meer in de rijksverzameling te laten berusten. Verkoop en uitkering van de opbrengst aan een joods doel acht de commissie een ongewenste oplossing, aangezien daarmee de objecten onbereikbaar zouden worden voor eventuele later blijkende individuele rechthebbenden. In plaats daarvan adviseert de commissie tot een tweetal maatregelen. Allereerst dienen alle tot deze categorie behorende kunstwerken die worden geëxposeerd in musea te worden voorzien van een op het bordje aan te brengen bijschrift, waarin de herkomstgeschiedenis wordt vermeld. Ten tweede adviseert de commissie deze kunstwerken te laten taxeren en de op basis van die taxatie vastgestelde tegenwaarde beschikbaar te stellen voor een joods cultureel doel. Hierdoor wordt de schijn dat de Nederlandse overheid het openbaar kunstbezit zonder enige tegenprestatie heeft verrijkt met kunstwerken uit het bezit van oorlogsslachtoffers weggenomen.

 

Aanbeveling 5

De commissie adviseert om de kunstwerken uit de NK-collectie, waarvan met zekerheid of grote waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat ze behoren tot de categorie door roof, confiscatie of gedwongen verkoop aan de oorspronkelijke joodse eigenaren afhandig gemaakte stukken en waarvoor geen rechthebbenden kunnen worden aangewezen, bij expositie te voorzien van een op het bordje aan te brengen bijschrift, waarin de herkomstgeschiedenis wordt vermeld.  Tevens adviseert de commissie deze voorwerpen te laten taxeren en de op basis van die taxatie vastgestelde tegenwaarde beschikbaar te stellen voor een joods cultureel doel.

 

b. De in het begin van de jaren vijftig geveilde kunstwerken

Een zelfde schijn van verrijking bestaat er ten aanzien van de in de schatkist gevloeide opbrengsten van de in het begin van de jaren vijftig van de 20ste eeuw gehouden veilingen van gerecupereerde kunstwerken, waaronder zich zeker ook materiaal bevond van joodse eigenaren, dat gedurende de oorlogsjaren door roof, confiscatie en gedwongen verkoop van eigenaar was verwisseld. Een nauwkeurige vaststelling welke kunstwerken dit betrof, kan nauwelijks meer worden gedaan, zodat de beste oplossing is ervan uit te gaan dat de samenstelling van het geveilde bestand vergelijkbaar was met dat van het bestand dat behouden bleef en thans behoort tot de NK-collectie; de het algemene beeld verstorende omvangrijke collecties Mannheimer en Lanz dienen bij dit alles te worden geëlimineerd.

 In verband daarmee stelt de commissie voor een percentage van de totale veilingopbrengsten, minus die van de verkochte bestanddelen van collecties Mannheimer en Lanz, toe te voegen aan het hierboven bedoelde bedrag ten behoeve van een joods cultureel doel. Dit percentage kan worden berekend door het aantal kunstwerken met “besmette herkomst” af te zetten tegen het aantal kunstwerken in de NK-collectie zoals neergelegd in de rapportages van Herkomst Gezocht, minus de aantallen kunstwerken uit de collecties Mannheimer en Lanz. Als basis voor het begrip “besmette herkomst” kan een optelsom dienen van enerzijds het aantal van de hiervoor onder a genoemde categorie roofkunst uit onbekend joods bezit en anderzijds het aantal sinds mei 1952, de datum van overdracht van het resterend SNK-materiaal aan het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen, gerealiseerde teruggaven aan rechthebbenden. Om te voorkomen dat de nog onbekende uitslag van lopende claims de berekeningen verstoort, dienen de aantallen kunstwerken, waarvoor op de datum van afsluiting van het onderzoek (1 december 2004) nog niet afgehandelde claims zijn ingediend,  buiten de tellingen te worden gehouden en noch bij de berekening van de omvang van de NK-collectie noch bij de inventarisatie van de werken met besmette herkomst te worden betrokken.

Het percentage aan besmette NK-kunstwerken (minus lopende claims) ten opzichte van het gehele NK-bestand (minus Lanz en Mannheimer en lopende claims) dient te worden toegepast op het totaal van de veilingopbrengsten (eveneens minus Lanz en Mannheimer) en vervolgens te worden geïndexeerd volgens de normen van de gemiddelde prijsontwikkeling van kunstwerken tussen 1952 en 2004. 

Een zorgvuldig onderbouwd rekenschema zal in dedember 2004 door de commissie worden ingediend.

 

Aanbeveling 6

De commissie adviseert om een geïndexeerd percentage van de opbrengsten van de in de jaren tot en met 1952 verkochte gerecupereerde kunstwerken beschikbaar te stellen voor een joods cultureel doel.

 

c. Bestemming van de gelden

De commissie is van mening dat  de conform de voorafgaande aanbevelingen beschikbaar te stellen gelden dienen te worden bestemd voor algemene joodse culturele doelen en wel voor de ene helft ter ondersteuning van het behoud van het joodse culturele erfgoed en voor de andere helft ter stimulering van hedendaagse joodse cultuuruitingen. De ondersteuning van het behoud van het joodse culturele erfgoed kan het beste worden gerealiseerd door ondersteuning van de Stichting Cultureel Erfgoed Portugees-Israëlietische Gemeente, die zich het behoud, beheer en voor het publiek toegankelijk maken van de synagoge aan het mr. Visserplein in Amsterdam ten doel stelt. De unieke historische betekenis van deze synagoge maakt deze tot een symbool van de geschiedenis van joods Nederland en daarmee tot een passende bestemming voor een vergoeding van niet meer te realiseren restitutie van verloren particulier joods kunstbezit.

De commissie adviseert de andere helft van de uit te keren gelden te doen toekomen aan het Joods Historisch Museum, dat het daarmee te vormen fonds dient aan te wenden voor de stimulering van een breed scala van hedendaagse joodse cultuuruitingen.

Door de verdeling van de middelen over beide doelen worden aspecten van cultuurbehoud en actuele culturele ontwikkeling gelijkelijk bevoordeeld. Aangezien de werkzaamheden van de Stichting Cultureel Erfgoed Portugees-Israëlietische Gemeente zullen plaats vinden in nauwe samenwerking met het Joods Historisch Museum, is er bovendien een directe samenhang tussen beide doelen, die kan leiden tot wederzijdse versterking.

 

Aanbeveling 7

De commissie adviseert om de in de aanbevelingen 5 en 6 bedoelde bedragen voor de ene helft te bestemmen voor de Stichting Cultureel Erfgoed Portugees-Israëlietische Gemeente en voor de andere helft uit te keren aan het Joods Historisch Museum, dat het daarmee te vormen fonds dient aan te wenden voor de stimulering van een breed scala van hedendaagse joodse cultuuruitingen.