Adviezen over claims op schilderijen uit vier Nederlandse musea

DEN HAAG, 8 mei 2013 – De Restitutiecommissie brengt vier bindende adviezen uit over claims op schilderijen uit Nederlandse musea. Het gaat om de kunstwerken Duinlandschap met hertenjacht van Gerrit Claesz. Bleker uit het Frans Hals Museum te Haarlem, Madonna met wilde rozen van Jan van Scorel uit het Centraal Museum te Utrecht, Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Bernardo Strozzi uit Museum de Fundatie te Heino/Wijhe en Riviergezicht met aanlegplaats van Maerten Fransz. van der Hulst uit de collectie van het Groninger Museum. Het laatstgenoemde schilderij dient te worden teruggegeven aan de kleinkinderen van de erfgename van de voormalige eigenaar Richard Semmel. De overige drie schilderijen hoeven niet te worden teruggegeven.

Richard Semmel (1875-1950) was een Berlijnse ondernemer en kunstverzamelaar. Vanwege zijn joodse afkomst en actieve betrokkenheid bij de Deutsche Demokratische Partei kwam Semmel direct na de machtsovername van de nazi’s onder zware druk te staan. Om aan economische en politieke vervolgingsmaatregelen te ontkomen, vluchtte Semmel in 1933 uit nazi-Duitsland. Eerst vestigde hij zich in Amsterdam, maar later vertrok hij naar New York.

Semmel heeft een gedeelte van zijn kunstcollectie op 21 november 1933 in Amsterdam laten veilen. De Restitutiecommissie beschouwt deze verkoop als onvrijwillig door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Hoewel de veiling op het eerste gezicht was ingegeven door economische factoren, kan deze volgens de commissie niet los worden gezien van de vervolging van Semmel door de nazi’s. Semmel had door de omstandigheden acuut geld nodig, onder meer om zijn onderneming overeind te houden en om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien. Semmel is in 1950 in New York in armoedige omstandigheden overleden zonder nakomelingen na te laten. Bij testament had hij als erfgename een goede vriendin benoemd die net als hij nazi-Duitsland was ontvlucht en die hem tot aan zijn overlijden heeft verzorgd.

Vier van de schilderijen die op de veiling in 1933 onder de hamer kwamen, bevinden zich vandaag de dag bij Nederlandse musea. Kleinkinderen van Semmels erfgename hebben de musea gevraagd om de kunstwerken aan hen terug te geven. Zij stellen dat de vier geclaimde schilderijen hun door rechtsopvolgingen toebehoren. Ook verklaren zij een emotioneel belang bij de kunstwerken te hebben, omdat deze verbonden zijn met de door vervolging en vlucht bepaalde geschiedenissen van hun eigen familie en die van Semmel. De Restitutiecommissie is door de vier musea en de kleinkinderen van de erfgename van Semmel gevraagd om te adviseren over de vier claims. Alle partijen hebben van tevoren verklaard de adviezen als bindend te zullen aanvaarden.

Eén van de bindende adviezen betreft het schilderij Duinlandschap met hertenjacht van de kunstenaar Gerrit Claesz. Bleker, dat sinds 1934 deel uitmaakt van de collectie van het Frans Hals Museum te Haarlem. De commissie adviseert om dit schilderij niet terug te geven, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit werk afkomstig is uit het bezit van Richard Semmel.

In twee van de vier adviezen vindt de commissie het door de verzoekers aangevoerde belang bij teruggave niet voldoende gewicht in de schaal leggen om het naar Nederlands recht vaststaande eigendomsrecht van twee musea aan de kant te schuiven. Het gaat om het schilderij Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Bernardo Strozzi, dat deel uitmaakt van de collectie van Museum de Fundatie te Heino/Wijhe, en om het schilderij Madonna met wilde rozen van Jan van Scorel, dat sinds 1958 in beheer is van het Centraal Museum te Utrecht. Beide musea hebben naar het oordeel van de commissie overtuigend aangetoond dat het behoud van de twee schilderijen van groot belang is voor hun collecties en voor het museumpubliek. Daar tegenover beoordeelt de commissie het belang van de kleinkinderen van de erfgename van Semmel bij teruggave als minder zwaar. De commissie wijst erop dat deze kleinkinderen geen familie zijn van Richard Semmel, hem nooit hebben gekend en geen herinneringen hebben aan de schilderijen. Dat de kunstcollectie belangrijk was voor Richard Semmel zelf staat los van het belang van het werk voor de nakomelingen van zijn erfgename. Daarbij komt dat Semmel en zijn erfgename in het verleden zelf geen poging hebben ondernomen om de schilderijen terug te vinden. De conclusie van deze belangenafweging is dat beide schilderijen niet hoeven te worden teruggegeven aan de kleinkinderen van de erfgename van Semmel. De commissie verbindt aan dit oordeel de aanbeveling aan beide musea om door middel van bijvoorbeeld een bijschrift bij het schilderij, een publicatie of een tentoonstelling aandacht te besteden aan de geschiedenis van de voormalige eigenaar Richard Semmel en het lot van zijn kunstcollectie.

In de vierde bindende advieszaak valt de belangenafweging anders uit. Het gaat om een schilderij uit de collectie van het Groninger Museum, namelijk het zeventiende-eeuwse Riviergezicht met aanlegplaats van Maerten Fransz. van der Hulst, dat in het verleden werd toegeschreven aan de schilder Jan Josefsz. van Goyen. De commissie adviseert om dit kunstwerk wel terug te geven aan de kleinkinderen van de erfgename van Semmel, omdat het eigendomsrecht van het museum onvoldoende gewicht in de schaal legt om het geschil in zijn voordeel te beslissen. De omstandigheden en uitlatingen van het museum wijzen erop dat het museum weinig of geen belangstelling voor het schilderij Riviergezicht met aanlegplaats heeft, vermoedelijk omdat het niet in zijn collectie past. Het kunstwerk staat al jaren in depot en wordt niet tentoongesteld of uitgeleend. Daarbij heeft het museum het schilderij om niet verkregen en zijn er geen aanwijzingen dat het museum kosten heeft gemaakt, bijvoorbeeld om het schilderij te laten restaureren. Tegenover dit geringe belang van het museum bij behoud van het schilderij merkt de commissie het door de kleinkinderen van de erfgename aangevoerde emotionele en morele belang bij teruggave zwaarder aan.

De Restitutiecommissie

Sinds januari 2002 adviseert de Restitutiecommissie de minister van OCW over claims op cultuurgoederen in bezit van de rijksoverheid. Daarnaast kan de Restitutiecommissie een bindend advies uitbrengen over een geschil betreffende roofkunst waarbij de Staat niet is betrokken. Hierbij vormen ‘redelijkheid en billijkheid’ het toetsingskader. Sinds 2002 heeft de commissie 124 adviezen uitgebracht, waarvan 9 bindende adviezen. Het is te verwachten dat in de komende jaren vaker een beroep op de commissie zal worden gedaan voor alternatieve geschillenbeslechting. Dit heeft mede te maken met het project Museale Verwervingen vanaf 1933, een onderzoek dat Nederlandse musea momenteel uitvoeren naar de aanwezigheid van roofkunst in hun collecties. Dit project werd in 2009 door de Nederlandse Museumvereniging geïnitieerd en zal naar verwachting eind 2013 worden afgerond.

Meer informatie

Klik hier voor informatie over het voorleggen van bindend advieszaken aan de commissie en de hierbij gevolgde procedure.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Evelien Campfens, secretaris van de Restitutiecommissie, telefoon (070) 376 59 92.