Erfgenaam van Joodse kunstliefhebber krijgt schilderijen terug

DEN HAAG  - De Restitutiecommissie heeft minister Bussemaker van OCW geadviseerd twee in de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig verkochte schilderijen terug te geven aan de erfgenaam van de joodse eigenaar. De minister heeft het advies overgenomen.

Het advies gaat over de tot de rijkscollectie behorende schilderijen Stadhuis te Amsterdam van G.A. Berckheyde (NK 1978), in bruikleen bij het Amsterdam Museum, en Een Hollands havengezicht met figuren van A. Willaerts (NK 2729), in bruikleen bij het Centraal Museum te Utrecht. Deze schilderijen maken nu deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie, de verzameling kunstvoorwerpen die na de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland is teruggevoerd.

De schilderijen maakten tot aan de Tweede Wereldoorlog deel uit van de collectie van de joodse kunstliefhebber Sam Bernhard Levie. Hij verkocht het schilderij van Willaerts omstreeks 12 september 1940 via een Nederlandse kunsthandelaar aan W.A. Hofer, die kunst inkocht voor Hermann Göring. Het schilderij van Berckheyde verkocht Levie op 15 september 1940 aan een Nederlandse kunsthandelaar. Die verkocht het werk op zijn beurt door aan een Duits museum. Levie en zijn echtgenote zijn tijdens de bezetting door de nazi’s gedeporteerd en in mei 1943 om het leven gebracht in Sobibor.

De Restitutiecommissie constateert dat volgens de beleidsregels die gelden voor de Nederlands Kunstbezit-collectie sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van het naziregime. Daarom adviseert zij minister Bussemaker om de schilderijen terug te geven aan de erfgenaam van de oorspronkelijke eigenaar. De minister heeft het advies overgenomen.

Over de Restitutiecommissie
De Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog adviseert over claims op tijdens de naziperiode verloren cultuurgoederen, zogeheten roofkunst. Sinds haar start in 2002 heeft de Restitutiecommissie 129 adviezen uitgebracht en zijn 142 claims aan haar voorgelegd.

Betreffende adviezen: