Persbericht RC 1.113

RESTITUTIECOMMISSIE BRENGT ADVIES UIT OVER TWEEDE CLAIM GUTMANN

De Restitutiecommissie adviseert de staatssecretaris van OCW tot teruggave van vijf voorwerpen van kunstnijverheid aan de erven F.B.E. Gutmann en tot afwijzing van een claim op het schilderij Venus, Bacchus en Ceres met slapende Amor van J. de Wit (NK 1960).

De kunstvoorwerpen worden geclaimd door de erven van de joodse bankier en kunstverzamelaar F.B.E. Gutmann. Gutmann maakte na de bezetting van Nederland in 1940 plannen om met zijn echtgenote naar het buitenland te vluchten. Ter voorbereiding van zijn vertrek bracht hij een aantal kunstwerken over naar Parijs en verkocht hij begin 1942 rond de tweehonderd kunstwerken aan de Duitse kunsthandelaren Böhler en Haberstock. Voordat de vluchtpoging kon worden gerealiseerd, werden Gutmann en zijn echtgenote in 1943 door de nazi's opgepakt. Zij kwamen in vernietigingskampen om het leven. Na de bevrijding spanden de kinderen van Gutmann zich in om het verloren familiebezit terug te verkrijgen. Met betrekking tot de kunstvoorwerpen die aan Böhler en Haberstock waren verkocht, stelden de Nederlandse autoriteiten zich na de oorlog op het standpunt dat sprake was van vrijwillige verkoop. De rechter, aan wie de erven deze kwestie in 1952 voorlegden, oordeelde in het voordeel van de familie Gutmann en merkte de verkoop aan als onvrijwillig.  
Op basis van het onderzoek concludeert de commissie dat de vijf geclaimde voorwerpen van kunstnijverheid (NK 605, NK 3147 a-b, NK 3214, NK 3216 en NK 3217) onderdeel waren van de transactie met Böhler en Haberstock. De herkomst van deze voorwerpen was tot voor kort onbekend. Onder verwijzing naar de rechterlijke uitspraak uit 1952 oordeelt de commissie dat sprake is van onvrijwillig bezitsverlies. De commissie adviseert de staatssecretaris daarom deze vijf objecten terug te geven aan de erven Gutmann.
Met betrekking tot het schilderij Venus, Bacchus en Ceres met slapende Amor van J. de Wit adviseert de commissie afwijzend. De naam Gutmann is bij archiefonderzoek weliswaar in documentatie over het schilderij aangetroffen, maar ook na uitgebreid onderzoek wordt niet duidelijk waarop dit is gebaseerd. De commissie overweegt dat er een kans is dat de vermelding van de naam Gutmann op een misverstand berust en oordeelt dat het daarmee niet in hoge mate aannemelijk is dat het werk op enig tijdstip na 10 mei 1940 eigendom was van F.B.E. Gutmann. 

De Restitutiecommissie
Sinds januari 2002 adviseerde de Restitutiecommissie de minister van OCW over 91 claims op cultuurgoederen in bezit van de rijksoverheid. Daarnaast kan de Restitutiecommissie een bindend advies uitbrengen over een geschil tussen twee partijen over een cultuurgoed dat niet in het bezit is van de rijksoverheid. 

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Evelien Campfens, secretaris/rapporteur van de Restitutiecommissie, telefoon (070) 376 59 92.

Betreffende adviezen: