Persbericht RC 1.60, RC 1.114-B en RC 1.120

RESTITUTIECOMMISSIE BRENGT DRIE ADVIEZEN UIT OVER ROOFKUNSTCLAIMS

De Restitutiecommissie heeft de Staatssecretaris van OCW geadviseerd over drie claims op kunstwerken uit de Nederlandse Rijkscollectie. De commissie adviseert om twee van de drie geclaimde kunstwerken terug te geven aan de erfgenamen van de voormalige eigenaren. De adviezen zijn overgenomen door de staatssecretaris. 

In de eerste zaak concludeert de commissie dat de joodse bankier enkunstverzamelaar Fritz Gutmann de oorspronkelijke eigenaar was van een vijftiende-eeuwse Pietà van lindehout (NK 688). Gutmann had deze sculptuur vanwege de dreigende internationale situatie in 1939 ondergebracht bij een kunsthandel in Parijs. Daar is het object door de Duitsers in beslaggenomen, waarna het terechtkwam in de kunstcollectie van Rijksmaarschalk Hermann Göring. In mei 1945 troffen Amerikaanse soldaten de sculptuur aan in een treinwagon gevuld met kunst, die Göring had achtergelaten in een tunnel bij het hoofdkwartier van de Luftwaffe in het Beierse Berchtesgaden (zie foto). Nadien is de Pietà naar Nederland teruggekeerd en maakte zij gedurende decennia deel uit van de Nederlandse Rijkscollectie. De sculptuur bevond zich als bruikleen bij het Museum Catharijneconvent te Utrecht. In haar advies van 11 april 2011 oordeelt de commissie dat Gutmann het bezit van de sculptuur onvrijwillig verloor, als direct gevolg van het naziregime. De commissie adviseert de staatssecretaris het restitutieverzoek van de erven van Fritz Gutmann toe te wijzen. 

Een tweede zaak betreft het negentiende-eeuwse bronzen beeld Steenhouwer van C.E. Meunier (NK 414). Uit onderzoek bleek dat dit beeld tijdens de oorlog is verkocht door een van de volgende drie Amsterdamse kunsthandels: Buffa, Morpurgo of Mogrobi. Naar aanleiding hiervan brachten familieleden van de twee joodse kunsthandelaren Morpurgo en Mogrobi een claim uit. De commissie heeft de claims onderzocht. Zij oordeelt in haar advies van 13 april 2011 dat het beeld van Meunier tijdens de oorlog geen deel heeft uitgemaakt van de handelsvoorraad van een van de twee laatstgenoemde kunsthandels en adviseert de Staatsecretaris van OCW beide claims af te wijzen.

Het derde advies van de commissie betreft een bronzen beeld Hercules. Dit werd geclaimd door de erfgenamen van Rosa en Jakob Oppenheimer, een Duits-joodse echtpaar dat actief was in de kunsthandel. De Oppenheimers waren de enige aandeelhouders van het Duitse Margraf-concern, een onderneming waartoe diverse gerenommeerde kunsthandels behoorden. In haar advies zet de commissie uiteen dat de nazi-autoriteiten kort na het begin van het naziregime in 1933 hun pijlen op het Margraf-concern richtten. Zij beschouwden de onderneming als een exponent van de ‘internationale joodse juwelen- en kunsthandel’. Een goede bekende van Hermann Göring werd als liquidateur van het bedrijf aangesteld en de voorraden van de dochterondernemingen werden verkocht op door de nazi-autoriteiten afgedwongen executieveilingen. Op een van deze veilingen is het beeld Hercules in 1935 onder de hamer gekomen. Het beeld maakt sinds 1938 als gevolg van een schenking deel uit van de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam en was jarenlang in bruikleen bij het Muiderslot. De Restitutiecommissie is van oordeel dat Rosa en Jakob Oppenheimer het beeld Hercules in 1935 onvrijwillig verloren, als gevolg van de vervolgingsmaatregelen die het naziregime tegen hen ondernam. Zij adviseert de staatssecretaris daarom het beeld aan hun erfgenamen terug te geven. 

De Restitutiecommissie
Sinds januari 2002 heeft de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog 100 adviezen uitgebracht en werden 125 zaken aan haar voorgelegd. De commissie staat onder voorzitterschap van mr. Willibrord Davids.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Evelien Campfens (secretaris/rapporteur), telefoon (070) 376 59 92.