Samenvatting RC 1.11

RIJN BIJ KOBLENZ VAN GERARD BATTEM

Op 26 november 2002 verzocht de Staatssecretaris van Cultuur de Restitutie Commissie om advies over het verzoek om teruggave van het 17e eeuwse doek Rijn bij Koblenzvan Gerard Battem (NK 1944). De verzoeker verwijst in zijn brief van 29 augustus 2002 waarin hij zijn claim verwoordt naar de website van Bureau Herkomst Gezocht (BHG). In het overzicht van de herkomstgegevens bij het schilderij Rijn bij Koblenz was hij de vermelding "1939, Meijer te Amsterdam" tegengekomen. Volgens hem betreft het hier de persoon van zijn oudtante, die een uitgebreide schilderijencollectie in haar bezit had en in ieder geval tot 1939 in Amsterdam woonde. Aangezien zij als joodse werd vervolgd, was zij in 1940 naar België gevlucht, waar zij in 1943 door de Nazi"s werd opgepakt. Zij overleed in Auschwitz.

Een probleem bij het onderzoek naar het schilderij van Battem, in opdracht van de commissie uitgevoerd door BHG, is dat met de tot op heden gevonden gegevens geen sluitende herkomstgeschiedenis kan worden geschetst tot het moment van de recuperatie van het werk in 1948 naar Nederland. Van de mogelijke vooroorlogse eigenaren die in het overzicht van BHG voorkomen - waaronder de namen Meijer, Van Breemen en de kunsthandel Goudstikker/Miedl - is niet vast komen te staan of en op welk moment deze als eigenaar kunnen worden aangemerkt. De aanwijzing "Meijer" werd tijdens het onderzoek vanzelfsprekend nader onderzocht. De grondslag hiervoor blijkt niet meer te zijn dan een aantekening "collectie Meijer, Amsterdam "39" op de achterkant van een foto van het schilderij in het kunsthistorisch archief van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. Deze aanwijzing kon echter door geen enkele andere bron worden aangevuld. Nader onderzoek naar de kunstcollectie van de oudtante van verzoeker leverde evenmin aanwijzingen op dat het schilderij van Battem op enig moment haar eigendom was.

Gegeven de resultaten van het onderzoek oordeelt de Restitutie Commissie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn die op een verband tussen de collectie van de oudtante van verzoeker en het schilderij van Battem duiden. Hierbij betrekt zij de omstandigheid dat de naam Meijer ook in Amsterdam een veel voorkomende geslachtsnaam is. De commissie overweegt vervolgens "..dat in restitutiezaken als deze een soepele bewijslast gerechtvaardigd is en het risico van het (mede) door tijdsverloop ontbreken van bewijzen voor wat betreft de collectie onder haar beheer, bij de overheid behoort te liggen. Dat dit echter de aanbeveling van de Commissie Ekkart onverlet laat, dat slechts tot teruggave kan worden overgegaan als het oorspronkelijke eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is, en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken." De commissie concludeert dat er in deze zaak onvoldoende grondslag bestaat voor toewijzing van het verzoek. Het advies aan de staatssecretaris, vastgesteld in haar vergadering van 18 september 2003, is dan ook om het verzoek om teruggave van het schilderij Rijn bij Koblenz van Battem af te wijzen. Dit is het eerste afwijzende advies van de commissie.

In haar beslissing van 12 november 2003 volgt de staatssecretaris het advies van de commissie en wijst de claim af.