Samenvatting RC 1.14 / RC 1.20

HET KRAAMBEZOEK EN HET DOKTERSBEZOEK VAN CORNELIS TROOST EN STILLEVEN MET IRIS, PIOENEN EN ANDERE BLOEMEN VAN HERMAN VAN DER MIJN

In 2003 vroeg de staatssecretaris de Restitutiecommissie om advies over een verzoek van de erfgenamen van G. tot restitutie van de schilderijen Het kraambezoek en Het doktersbezoek van Cornelis Troost. Deze schilderijen maakten onder de inventarisnummers NK 1434 en NK 1435 deel uit van de Nederlandse rijkscollectie. Tijdens het feitenonderzoek dat in opdracht van de Restitutiecommissie naar de geclaimde schilderijen van Troost werd ingezet, bleek dat zich nog een derde schilderij in de Nederlandse rijkscollectie bevond dat aan dezelfde eigenaar had toebehoord. Dit schilderij betrof het Stilleven met iris, pioenen en andere bloemen in een vaas van Herman van der Mijn, geregistreerd onder NK 1672, waarvoor de verzoekers een aanvullend restitutieverzoek indienden. 

Feiten

De oorspronkelijke eigenaar van de drie kunstwerken was G., een vermogende Duitse ondernemer en kunstverzamelaar van joodse afkomst. Om aan het nazibewind te ontkomen, besloot G. in 1935 te emigreren. Om met zijn gezin Duitsland te kunnen verlaten, had hij een zogenaamde Unbedenklichkeitsbescheinigung van het Finanzamtnodig. Ter verkrijging van dit document diende het gezin G. te voldoen aan zware belastingverplichtingen die het Duitse Rijk aan joodse burgers had opgelegd, waaronder de zogenaamde Reichsfluchtsteuer en de Judenvermögensabgabe. In totaal werd het gezin G. voor RM 914.000,– aangeslagen. Om aan deze omvangrijke belastingverplichtingen te voldoen, was G. genoodzaakt zijn woning in Berlijn te verkopen, inclusief inboedel en kunstverzameling. 
Op 19 augustus 1936 bracht G. vele kunstwerken in Berlijn ter veiling, waaronder de genoemde schilderijen van Troost en Van der Mijn. De uiteindelijke afwikkeling van de betalingen aan het Duitse rijk nam zoveel tijd in beslag dat zij nog niet was afgerond toen G. in 1939 overleed, nog voordat hij kon emigreren. In 1940 verliet zijn weduwe Duitsland om zich te vestigen in het Verenigd Koninkrijk. 

Nog voordat op 10 mei 1940 in Nederland de Tweede Wereldoorlog uitbrak, kwamen de twee schilderijen van Troost in bezit van de Amsterdamse joodse kunsthandel I. Rosenbaum NV. In april 1942 werd in deze zaak op last van de bezetter een Verwalter benoemd, die de bedrijfsvoering overnam. Diezelfde maand werd een deel van de handelsvoorraad van de kunsthandel, waaronder de twee schilderijen van Troost, verkocht aan de Dienststelle Mühlmann, gedurende de oorlog één van de belangrijkste kunstinkopers voor nazi-Duitsland op de Nederlandse markt. Het schilderij van Van der Mijn werd op de Berlijnse veiling in 1936 door een Amsterdamse kunsthandel gekocht. Daarna dook het werk op bij de joodse kunsthandel Katz in Dieren, die het naar alle waarschijnlijkheid in consignatie had voor een particulier. In juli 1942 verkocht kunsthandel Katz het schilderij aan een Duitse koper ten behoeve van de collectie van het op te richten Führermuseum te Linz. 

Bespreking advies

In deze zaak was sprake van verschillende, achtereenvolgende gevallen van – mogelijk onvrijwillig – bezitsverlies, waardoor met betrekking tot de schilderijen tegenstrijdige claims mogelijk leken. In verband daarmee is de Restitutiecommissie op de volgende wijze te werk gegaan. 
Allereerst heeft de commissie zich een mening gevormd over de verkoop van de kunstwerken door G., en te dien aanzien geconcludeerd dat de verkopen onvrijwillig hadden plaatsgevonden. Ingevolge de aanbevelingen van de Commissie Ekkart wordt de verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Duitsland vanaf 1933 immers beschouwd als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.¹
Aangezien zowel de schilderijen van Troost als het werk van Van der Mijn daarna in bezit van Nederlandse joodse kunsthandelaren kwamen en door nazi-inkopers werden gekocht, heeft de commissie zich vervolgens afgevraagd of aan de rechtsopvolgers van deze kunsthandelaren de gelegenheid moest worden geboden eveneens een claim in te dienen. 
Mogelijk waren deze verkopen immers ook onder dwang tot stand gekomen. Daarbij dient in gedachten te worden gehouden dat de Slotaanbevelingen van de Commissie Ekkart, waarin beleidslijnen zijn uitgezet voor dergelijke tegenstrijdige claims, op dat moment nog niet waren gepubliceerd. De Restitutiecommissie besloot daarop in dit geval het Ministerie van OCW te vragen² de rechtsopvolger van kunsthandel Rosenbaum aan te schrijven, maar deze liet uiteindelijk weten in verband met de oudere aanspraken van G. geen claim te zullen indienen. Toen eind december 2004 de Slotaanbevelingen Ekkart uit werden gebracht en deze vervolgens door de regering werden overgenomen, bleek ook het officiële beleid in geval van tegenstrijdige aanspraken op een kunstwerk het eerste bezitsverlies in het algemeen te laten prevaleren. Daarbij wordt de Restitutiecommissie de ruimte gegeven om de onderlinge zwaarte van de tegenstrijdige claims af te wegen.³ In het licht daarvan en op grond van de uitkomsten van het nadere onderzoek van de commissie, besloot de Restitutiecommissie dat het onvrijwillige bezitsverlies van de familie G. in 1936 boven het mogelijk onvrijwillige bezitsverlies van de latere betrokkenen ging. 

De Restitutiecommissie heeft de staatssecretaris op 7 februari 2005 dan ook geadviseerd om de schilderijen van Troost en het stilleven van Van der Mijn terug te geven aan de erfgenamen van G. Daaraan werd geen voorwaarde verbonden tot terugbetaling van destijds op de veiling ontvangen verkoopopbrengsten, aangezien deze gelden gebruikt waren om Duitsland te kunnen verlaten. De uiteindelijke beslissing van de staatssecretaris van 22 april 2005 heeft het advies van de Restitutiecommissie gevolgd.