Samenvatting RC 1.18

VIER 19E EEUWSE LANDSCHAPPEN

In deze zaak ging het om een verzoek tot teruggave van de volgende vier schilderijen uit de Nederlandse Rijkscollectie:

• Zandweg met boerenwoningen aan een bosrand door A. Schelfhout (NK 2394)
• Landschap met watermolen en boeren die vee over een zandweg drijven door B.C. Koekkoek (NK 2389)
• Winterlandschap met herten door P.G. van Os (NK 2526)
• Italiaans berglandschap bij avond door een anonieme kunstenaar, voorheen toegeschreven aan A. Govaerts (NK 3072)

Bij brief van 16 december 2003 verzocht de staatssecretaris de Restitutiecommissie om advies over teruggave van deze schilderijen. De claim was ingediend naar aanleiding van een vanuit concentratiekamp Westerbork verstuurde briefkaart, die verzoeker zestig jaar na verzending onder ogen kreeg. Op deze briefkaart, gericht aan de moeder van verzoeker, uit de schrijver zijn wens om vijfschilderijen te schenken aan verzoeker. De tekst van deze briefkaart, gedateerd 2 juli 1942, luidt als volgt:

“Beste Anne, Haal weg D.Willinkplein 3-2, Amsterdam, Schelfhout, Zandweg boerenhuis met bos, Pieter G. van Os, winter met herten, Jacob van Loo, Bloemstilleven, Abram Govaerts, Italiaanse Bergen, B.C. Koekoek, Landschap met watermolen en boer vee Anne voor 5/9-’29 Hartelijke groeten, V."

Verzoeker, die op 5 september 1929 geboren is, zag de kaart eind augustus 2002 voor het eerst tijdens een bezoek aan zijn ernstig zieke moeder. Zij vertelde hem dat zij omstreeks augustus 1942 naar het op de briefkaart vermelde adres was gegaan om de schilderijen op te halen, maar dat de woning toen al was leeggeroofd. Bij dezelfde gelegenheid bevestigde de moeder van verzoeker dat V., een joodse kunsthandelaar, verzoekers natuurlijke vader was. Verzoeker had zijn vader voor de oorlog als kind enkele malen bezocht en had daar dierbare herinneringen aan. De briefkaart was aanleiding voor verzoeker om zich te verdiepen in de gebeurtenissen rond de kunstcollectie van zijn vader tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Nadat hij in 2003 de tentoonstelling Herkomst Gezocht in Leeuwarden had bezocht, waar aan de hand van een aantal NK-werken uit de Rijkscollectie het lot van ‘oorlogskunst’ duidelijk werd gemaakt, wendde verzoeker zich tot Bureau Herkomst Gezocht (BHG) met de vraag of de door zijn vader beschreven schilderijen nog te achterhalen waren. Daar bleek dat vier van de vijf op de briefkaart genoemde schilderijen mogelijk identiek waren met schilderijen die zich in de NK-collectie bevonden, namelijk de schilderijen met inventarisnummers NK 2389, NK 2394, NK 2526 en NK 3072. Verzoeker bracht nog een bezoek aan BHG en bekeek daar foto’s van de geïdentificeerde vier schilderijen. Van de drie eerstgenoemde werken kon hij zich met stelligheid herinneren dat hij ze tijdens vakanties aan het eind van de jaren dertig in het huis van zijn vader had gezien. Hij wist over deze schilderijen ook bijzonderheden zoals afmetingen te vertellen, die niet van de getoonde afbeeldingen te herleiden waren. Van het schilderij Italiaans berglandschap bij avond (NK 3072) herinnerde hij zich dat zijn vader een dergelijk schilderij had hangen, maar hij herkende dit niet stellig zoals de andere drie. Zijn bevindingen tijdens dit bezoek aan BHG brachten verzoeker ertoe om de Staatssecretaris van Cultuur bij brief van 29 september 2003 om teruggave van de vier schilderijen te vragen. De Restitutiecommissie kreeg het verzoek vervolgens op 16 december 2003 voorgelegd. De Restitutiecommissie werd in deze zaak met diverse vragen geconfronteerd. In de eerste plaats moest uitgezocht worden of de vier teruggevraagde werken uit de NK-collectie aangemerkt konden worden als de schilderijen die in de zomer van 1942 uit het huis van V. waren weggehaald. Onderzoek door BHG wees uit dat drie van de vier als NK-werken aangemerkte schilderijen kort na de arrestatie van de vader van verzoeker in de zomer van 1942 op de Amsterdamse kunstmarkt waren verschenen: Zandweg met boerenwoningen aan een bosrand (NK 2394), Landschap met watermolen en boeren die vee over een zandweg drijven (NK 2389) en Winterlandschap met herten (NK 2526). Het onderzoek gaf geen eenduidig antwoord op de vraag waar de schilderijen zich vóór die tijd bevonden. Gezien deze lacune in de herkomstgeschiedenis is het mogelijk dat genoemde werken tot 1942 in het bezit waren van de vader van verzoeker. In verband met de zeldzaamheid van de voorstellingen in de oeuvres van de betreffende kunstenaars was de conclusie van BHG dat een dergelijke herkomst bij de nummers NK 2389 (Koekkoek) en NK 2626 (Van Os) zeer waarschijnlijk, en bij het nummer NK 2394 (Schelfhout) zeer wel mogelijk is. Van het vierde schilderij, Italiaans berglandschap bij avond (NK 3027), kon echter niet worden vastgesteld wanneer dit op de kunstmarkt verscheen en of dit voor of na de arrestatie van de vader van verzoeker was geweest. BHG concludeerde ten aanzien van dit schilderij dat op grond van de bestaande documentatie, te weten de beschrijving van het werk in de briefkaart en het oeuvre van de betreffende kunstenaar, geen uitspraak over de identificatie kon worden gedaan. Een volgende te beantwoorden vraag was de erfrechtelijke positie van de verzoeker als niet-erkend kind van V., de oorspronkelijke eigenaar van de werken. Uit een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 26 november 1931 blijkt dat aangenomen kan worden dat V. de biologische vader van verzoeker was en dat hij jegens deze onderhoudsplichtig werd geacht, maar ook dat hij verzoeker niet had erkend. Dit laatste feit impliceert dat verzoeker op grond van het burgerlijk recht geen erfgenaam van zijn vader kan zijn. De Restitutiecommissie overweegt in haar advies echter dat uit de tekst van de briefkaart duidelijk de intentie van V. blijkt om de schilderijen aan verzoeker te schenken. Alhoewel deze schenking niet helemaal voldeed aan de destijds geldende wettelijke voorschriften hieromtrent, namelijk het passeren van een notariële akte, mag volgens de commissie aangenomen worden dat de informele handeling waarmee V. de schenking probeerde te bewerkstelligen als rechtsgeldig kan worden beschouwd. Hierbij betrekt de commissie de bijzondere omstandigheden waaronder de schenking plaatsvond, namelijk dat V. zich ten tijde van de schenking als gevangene in kamp Westerbork bevond. Om te kunnen beoordelen of de schenking erfrechtelijk aangevochten zou kunnen worden, onderzocht de commissie of er bij de verdeling van de nalatenschap van V., die kort na zijn arrestatie in Auschwitz om het leven was gebracht, sprake was van legitimarissen. Dit onderzoek voerde de commissie onder meer naar notariële archieven in Zwitserland, waar de echtgenote van V. tot aan haar overlijden had gewoond. Het onderzoek wees uit dat er bij de nalatenschap van de vader van verzoeker geen legitimarissen waren die de schenking zouden hebben kunnen aanvechten op grond van een schending van de legitieme portie.

In de vergadering van 18 mei 2004 stelde de Restitutiecommissie haar advies over deze zaak vast. Zij adviseert de staatssecretaris daarin om het verzoek tot teruggave toe te wijzen voor wat betreft de drie schilderijen Zandweg met boerenwoningen aan een bosrand (NK 2394), Landschap met watermolen en boeren die vee over een zandweg drijven (NK 2389) en Winterlandschap met herten (NK 2526). Ten aanzien van deze drie schilderijen overweegt de commissie dat voldoende is aangetoond dat deze werken de in de briefkaart vermelde schilderijen van de vader van verzoeker zijn, die hij in juli 1942 aan verzoeker geschonken had. In haar advies oordeelt de commissie ten aanzien van het schilderij Italiaans berglandschap bij avond (NK 3027) dat er onvoldoende aanwijzingen zijn die het in hoge mate aannemelijk maken dat dit het op de briefkaart omschreven schilderij Italiaanse bergen van Govaerts uit het bezit van de vader van verzoeker betreft. De Restitutiecommissie adviseert dan ook het verzoek tot teruggave van NK 3027 af te wijzen. De Staatssecretaris van Cultuur besliste op 13 juli 2004 overeenkomstig het advies van de Restitutiecommissie. Inmiddels heeft de commissie bericht gekregen dat de schilderijen ook feitelijk zijn teruggegeven aan verzoeker. Deze deelde de commissie in november 2004 mee dat hij het werk van Koekkoek weer in bruikleen zou willen geven aan het Rijksmuseum Twenthe in Enschede, waar het jarenlang in bruikleen hing. Dit museum liet de commissie vervolgens weten dat conform de wens van verzoeker naast het schilderij van Koekkoek een bordje zal worden geplaatst, waarop het oorlogsverleden van dit werk vermeld wordt.