Samenvatting RC 1.3

VENUS IN DE SMIDSE VAN VULCANUS NAAR F. BOUCHER (NK 3298)

Op 2 april 2002 verzocht de Staatssecretaris van OCenW de Restitutie Commissie te adviseren over een verzoek om teruggave van het schilderij Venus in de smidse van Vulcanus naar F. Boucher (NK 3298). De heer M. had mede namens zijn zuster op 10 oktober 2001 de staatssecretaris om teruggave verzocht van dit schilderij uit het bezit van zijn joodse grootouders.

samenvatting feitenrapport

Het schilderij Venus in de smidse van Vulcanus, een op de tweede helft van de18e eeuw gedateerde kopie naar een schilderij van F. Boucher, maakte onder inventarisnummer NK 3298 deel uit van de Rijkscollectie. Het schilderij bleek tot in de oorlog te hebben toebehoord aan de van oorsprong Hongaarse mevrouw M.-M. Tijdens de oorlog had zij het schilderij op grond van de anti-joodse maatregelen bij de Duitse roofinstantie Lippmann, Rosenthal & Co. moeten inleveren. De administratie van deze instantie, die na de oorlog werd aangetroffen en gedeeltelijk bewaard is gebleven, toonde een gedetailleerd overzicht van de door haar ingeleverde kostbaarheden. Het schilderij was tijdens de oorlog, zoals gebruikelijk in de praktijk van deze instanties, doorverkocht aan een Duitse kunsthandelaar. Mevrouw M.-M. overleefde de oorlog niet, net zo min als vele van haar directe familieleden.

In 1948 werd het schilderij gerecupereerd en in eerste instantie als voormalig eigendom van mevrouw M.-M. aangemerkt. Een verzoek om teruggave van het schilderij door de zoon van mevrouw M.-M zou echter een moeizaam en langdurig proces worden. Het strandde eind jaren '50 uiteindelijk op verwikkelingen rond belastingschulden van de echtgenoot van mevrouw M.-M., de heer M., waarbij de belastingdienst de hand trachtte te leggen op vermogensbestanddelen uit zijn nalatenschap. Afgezien van enige vragen die rezen ten aanzien van de tijdens de oorlog de heer M. opgelegde belastingaanslagen, bleek bovendien dat een belangrijk vermogensrechtelijk aspect destijds over het hoofd was gezien. Het schilderij was aangewend als vermogensbestanddeel in de nalatenschap van de heer M., terwijl het aan mevrouw M.-M. had toebehoord. De heer en mevrouw M. bleken buiten elke gemeenschap van goederen getrouwd en hadden gescheiden geleefd. Feitelijk had het schilderij dus geen deel uitgemaakt van het vermogen van de heer M.

advies

In de vergadering van 22 april 2002 werd door de Restitutie Commissie het advies vastgesteld waarin zij tot teruggave van het schilderij aan de erven van mevrouw M.-M. concludeerde. De commissie overwoog dat aangetoond was dat mevrouw M.-M. de voormalige eigenaresse van het schilderij was, en dat het bezitsverlies tijdens de oorlog als onvrijwillig diende te worden beschouwd. Het verzoek van de kleinzoon van mevrouw M.-M. was naar de mening van de commissie een nieuwe claim in de zin van het rijksbeleid. Nu de eerdere beslissing was gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de heer M. de eigenaar van het schilderij was, kon een op basis hiervan genomen beslissing niet als geldig worden aangemerkt.

De staatssecretaris van OCenW volgde in zijn beslissing dit advies van de commissie en besloot tot teruggave van het schilderij.