Samenvatting RC 1.38

TWEE BRIEVEN, DRIE FOTO'S, EEN LEERBOEK FRANS EN EEN HALSKETTING UIT DE NALATENSCHAP VAN ANNE FRANK

In de zomer van 2005 werd de Restitutiecommissie gevraagd te adviseren over een verzoek van de heer B.E. en het Anne Frank Fonds, beiden gevestigd te Bazel (Zwitserland), tot teruggave van een aantal voorwerpen uit de nalatenschap van Anne Frank. De voorwerpen werden sinds 1981 bewaard in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) te Amsterdam.
Het verzoek betrof:

1. Een halsketting van Anne Frank (Mazel Tow) met daarin gegraveerd 12.6.1929 Frankfurt am Main;
2. Een leerboek, getiteld Franse Spraakkunst van Anne Frank met een plakpapiertje.
3. Een brief van Anne Frank aan haar grootmoeder, gedateerd op 18 december 1936 en geschreven in de Duitse taal;
4. Een brief van Anne Frank aan haar grootmoeder, gedateerd op 9 mei 1937 en geschreven in het Nederlands met als aanhef Lieve Oma. Er is een enveloppe bij, gericht aan Mevr. A. Frakstern;
5. Een foto van mevrouw Edith Frank-Holländer met Anne;
6. Een foto van Anne en Margot Frank met een derde persoon;
7. Een foto van het interieur van het Achterhuis.

De minister verzocht de commissie allereerst na te gaan of genoemde zaken beschouwd konden worden als ‘cultuurgoederen’ in de zin van het Instellingsbesluit van de Restitutiecommissie. Na die vraag bevestigend te hebben beantwoord, heeft de commissie een feitenonderzoek laten uitvoeren. Het bleek dat de voorwerpen in april 1981 door een redacteur van het Duitse weekblad Stern waren verworven van een anonieme Nederlander. Deze laatste gaf aan de zaken ten geschenke te hebben ontvangen van de persoonlijk secretaris van Otto Frank, de vader van Anne Frank. De redactie van het weekblad heeft de voorwerpen in mei 1981 volgens afspraak overgedragen aan het RIOD (Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, thans het NIOD).

Volgens verzoeker, neef van Anne Frank en directeur van het Anne Frank Fonds, waren de voorwerpen echter ontvreemd uit het huis van Otto Frank te Zwitserland, kort voor of na diens overlijden in 1980. Verzoeker verklaarde:
‘Niemals im Leben hätte er persönliche Andenken und Unterlagen seiner Familie einem 'Freund' verschenkt, insbesondere nicht jene seiner jüngsten Tochter an seine geliebte Mutter. [...] Otto Frank hat die bei seinem Ableben in seiner Wohnung befindlichen Dokumente testamentarisch dem Anne Frank Fonds vermacht. Da die "Stern" illegal übergebenen Briefe von Anne Frank an meine Familie gerichtet waren, erhebe auch ich als erbberechtigter, letzter direkter Nachkomme der Familie E.-Frank Besitzanspruch.’

Ook bij het NIOD bleken in 1981 twijfels te bestaan over de rechtmatigheid van de verkrijging van de voorwerpen van de onbekende Nederlander.
De commissie kwam echter niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de zaak. Na enkele overwegingen aan erfrechtelijke kwesties te hebben gewijd, overwoog de commissie als volgt:
‘Alvorens aan de vraag toe te kunnen komen welke persoon of instelling als (oorspronkelijk) rechthebbende op de zeven hiervoor genoemde zaken kan worden aangemerkt, zal de commissie een oordeel moeten geven of zij in deze bevoegd is in haar advies tot een inhoudelijk oordeel te komen. De taakopdracht van de commissie beperkt zich, ingevolge artikel 2 van haar Instellingsbesluit, immers tot cultuurgoederen waarover het bezit is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. [...] Gezien de hiervoor beschreven feiten, die geenszins wijzen op een bezitsverlies tijdens de Tweede Wereldoorlog maar daarentegen op een bezitsverlies dat plaats had in de jaren tachtig van de vorige eeuw, moet het antwoord op de hiervoor onder 4 gestelde vraag luiden dat in deze enig verband tussen het bezitsverlies en het naziregime ontbreekt. Ondanks de aanwijzingen van de onvrijwilligheid van het bezitsverlies, zal de commissie zich dan ook van een oordeel over de eigendomsaanspraken van de heer B.E. moeten onthouden.’

In de vergadering van 24 april 2006 stelde de Restitutiecommissie vast dat zij zich onbevoegd achtte de minister te adviseren over het restitutieverzoek. De minister besloot daarop op 13 juli 2006 dat de voorwerpen moesten worden teruggegeven aan het Anne Frank Fonds, zoals in het persbericht van OCW als volgt toegelicht:
‘Ondanks het feit dat de commissie zich in haar advies, in verband met het ontbreken van een verband tussen het bezitsverlies in de jaren ’80 en het naziregime, onbevoegd verklaart, hebben de resultaten van het onderzoek voor de minister als aanbeveling gediend om de Stern-artefacten terug te geven.’

Vervolgens heeft het Anne Frank Fonds te Bazel de voorwerpen in bruikleen gegeven aan de Anne Frank Stichting in Amsterdam.