Samenvatting RC 1.4

PORTRET VAN EEN MAN MET EEN HAZEWINDHOND VAN THOMAS DE KEYSER EN DE SLAPENDE HERBERGIERSTER NAAR NICOLAAS MAES

Op 7 april 2003 adviseerde de Restitutie Commissie de staatssecretaris over een verzoek tot teruggave van de schilderijen Portret van een man met een hazewindhond van Thomas de Keyser (NK 1407) en De slapende herbergierster, een kopie naar Nicolaas Maes (NK1624). Dit verzoek werd op 2 april 2002 door de staatssecretaris aan de commissie voorgelegd naar aanleiding van een claim op de beide werken, die namens de erven van de oorspronkelijke eigenaar op 22 april 2001 was ingediend. Het onderzoek naar de herkomst van de werken en naar de omstandigheden van het bezitsverlies tijdens de oorlog was in 2001 ingezet door de Inspectie Cultuurbezit. De Restitutie Commissie nam dit onderzoek bij de aanvang van haar werkzaamheden over.

De onderzoeksresultaten laten er geen twijfel over bestaan dat beide schilderijen tot eind 1941/begin 1942 deel hebben uitgemaakt van de collectie van de schoonvader van verzoekster. Eveneens is duidelijk dat de schilderijen tijdens de oorlog uit de collectie van de eigenaar zijn aangekocht door handlangers van Hitler. Ze waren bestemd voor het zogenaamde Führermuseum te Linz. De verkoopprijs van de Thomas de Keyser was 38.000 NLG en voor de Nicolaas Maes - die toen nog voor origineel werd gehouden - is 78.000 NLG (of Reichsmarken, dat bleef onzeker) betaald. Over de aard van de verkoop is een en ander bekend geworden door de verklaringen die de voormalige eigenaar na de oorlog tegenover de recuperatieautoriteiten heeft afgelegd. Deze verklaringen hielden in dat de zogenaamde Dienststelle Mühlmann hem met een schrijven van het Reichs-Commissariat onder druk had gezet de Thomas de Keyser te verkopen, en dat hij de Nicolaes Maes na aandringen had moeten afstaan aan dr. Göpel, een medewerker van Hitler. Hoewel hij de schilderijen niet had willen verkopen, was hij uiteindelijk voor de druk gezwicht. De eigenaar was niet joods noch behoorde hij tot een andere tijdens de oorlog vervolgde bevolkingsgroep.
Voor de commissie betekende deze laatste omstandigheid dat voor de beoordeling van de aard van het bezitsverlies onvrijwilligheid van de verkoop niet kon worden voorondersteld - zoals dat onder het restitutiebeleid wel kan voor bezitsverlies door personen die behoren tot een vervolgde bevolkingsgroep. Nader onderzoek naar het karakter van de verkoop bleek noodzakelijk. Hiervoor voerde de Commissie gesprekken met familieleden en andere getuigen, en vroeg zij professor dr. J. de Vries, emeritus hoogleraar economische geschiedenis, om advies. Deze lichtte de positie van de eigenaar, commissionair in effecten van Oostenrijkse afkomst, tijdens de oorlog nader toe. Hij concludeerde dat het voor de hand ligt aan te nemen dat iemand als de persoon in kwestie tijdens de bezetting werd gechanteerd.

Op grond van de resultaten van dit nader onderzoek acht de commissie onvrijwillig bezitsverlies in de zin van het restitutiebeleid volledig aannemelijk. De commissie overweegt vervolgens dat er geen sprake is van een afgehandelde zaak. De specifieke omstandigheden waarin de eigenaar na de oorlog verkeerde, stonden veeleer de verwerkelijking van zijn wens de schilderijen weer in zijn bezit te verkrijgen in de weg. Op basis van het feitenonderzoek en met inachtneming van het beleidskader acht de commissie dat tot teruggave van beide schilderijen kan worden overgegaan. Echter niet zonder meer, omdat zij ook vaststelt dat de eigenaar bij de verkoop van de schilderijen een redelijk bedrag heeft ontvangen. Voor de bepaling van die redelijkheid heeft de commissie een beroep gedaan op de expertise van de heer Roelofsz, expert oude meesters en kunsthandelaar te Amsterdam. Op grond van het principe dat restitutie niet tot ongegronde verrijking mag leiden, acht de commissie het redelijk om verzoekster in geval van teruggave een bedrag te laten betalen. Zij adviseert dan ook teruggave van de beide schilderijen tegenover "..de betaling door de erven van een bedrag overeenkomend met de huidige opbrengst bij onderhandse verkoop van die schilderijen, te taxeren door een beëdigd taxateur en onder aftrek van een provisie van 25 procent." Deze 25 procent vertegenwoordigt het bedrag dat bij de verkoop destijds mogelijk als provisie voor de tussenpersoon was betaald. Of dit door de overheid te ontvangen bedrag in de algemene middelen zou moeten stromen dan wel een speciale bestemming behoeft, laat de commissie in haar advies tenslotte uitdrukkelijk over aan de Commissie Ekkart en de staatssecretaris.

De staatssecretaris nam het advies van de commissie over en besloot op 6 mei 2003 tot teruggave van de beide schilderijen onder de door de commissie geadviseerde voorwaarden.