Samenvatting RC 1.90B

Samenvatting van het advies inzake Kunsthandel Katz (RC 1.90-B)
van de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog

Claim
De claim is ingediend door 21 nazaten van Nathan en Benjamin Katz, onder wie twee kinderen van Nathan Katz, en kleinkinderen van zowel Benjamin als Nathan Katz. Zij zijn afkomstig uit zes verschillende landen en worden vertegenwoordigd door advocaat Thomas Kline uit de Verenigde Staten.

Geclaimde kunstwerken
Het verzoek om teruggave betreft 187 schilderijen en 2 wandkleden uit de zogeheten Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie) van na de oorlog uit Duitsland gerecupereerde kunst. De NK-collectie maakt deel uit van de Rijkscollectie. De kunstwerken bevinden zich vandaag de dag in een groot aantal Nederlandse musea en overheidsinstellingen. Het schilderij Man met hoge baret van F. Bol (NK 1668), het enige werk waarover de commissie toewijzend adviseert, is in bruikleen bij Museum Gouda.

Toetsingskader
De claim Katz is beoordeeld op basis van de criteria genoemd in het voor de NK-collectie geldende restitutiebeleid, gebaseerd op de zogenoemde Aanbevelingen Ekkart voor de Kunsthandel, die door de regering op advies van een commissie onder leiding van Rudi Ekkart in 2004 zijn aangenomen. De regels bij de beoordeling van kunsthandelzaken zijn strenger dan de regels die gelden voor particuliere eigenaren. Het kunsthandelbeleid gaat uit van de veronderstelling dat een kunsthandel, ook tijdens de oorlog en ook als de handelaren joods waren, verkoop als doelstelling heeft.

De twee redenen voor de Restitutiecommissie om de claim Katz, met uitzondering van één werk, niet toe te wijzen, zijn dat het:
a. voor het merendeel van de geclaimde werken onvoldoende aannemelijk is dat Kunsthandel Katz tijdens de oorlog eigenaar was, en
b. dat voor het merendeel van de geclaimde werken gedwongen verkoop onwaarschijnlijk wordt geacht.

Eigendom
Bij de beoordeling van de claim is de eerste belangrijke vraag geweest of het in hoge mate aannemelijk is dat Kunsthandel Katz de geclaimde werken inderdaad in eigendom had. Als deze vraag niet positief te beantwoorden is, ontvalt de basis voor de claim en komt een kunstwerk niet voor teruggave in aanmerking. De verzoekers konden nauwelijks meer administratieve gegevens van de kunsthandel overleggen, waardoor er tijdens het onderzoek van de commissie weinig directe bronnen meer waren op dit punt.

Voor het merendeel van de werken blijkt na uitgebreid onderzoek, van zowel de commissie als verzoekers, de eigendom niet in hoge mate aannemelijk. De meeste geclaimde objecten zijn tijdens de oorlogsperiode weliswaar verhandeld door Kunsthandel Katz, maar die constatering is niet genoeg. Het gegeven dat Kunsthandel Katz betrokken was bij de verkoop van een kunstwerk – vaak een reden voor de vermelding van de naam Katz in een herkomstoverzicht – is onvoldoende bewijs voor de aanname dat Kunsthandel Katz daadwerkelijk als eigenaar is aan te merken. De broers Katz traden tijdens de bezetting vaak op als tussenhandelaren en als bemiddelaars voor Duitse kopers. Uit het onderzoek blijkt verder dat de broers het grootste deel van hun eigen voorraad al in de zomer van 1940 hadden verkocht aan de Duitse handelaar Alois Miedl.

Bezitsverlies
De 189 geclaimde objecten maakten tijdens de oorlog deel uit van de volgende verkooptransacties.

1. Verkopen aan Alois Miedl
Het grootste deel (101) van de geclaimde kunstwerken maakte deel uit van een partijverkoop van enkele honderden kunstwerken aan de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl. In augustus 1940 kocht Miedl enkele honderden kunstwerken van Nathan en Benjamin Katz, waarvoor de broers 1.8 miljoen gulden ontvingen. Het ging om een groot deel van de handelsvoorraad van kunsthandel Katz. Na deze grote partij volgden nog enkele kleinere verkopen. De commissie beoordeelt deze transacties niet als onvrijwillig bezitsverlies, maar als verkopen in het kader van de handelsactiviteiten van een kunsthandel. Ter ondersteuning verwijst de commissie voor dit oordeel naar naoorlogse verklaringen van Benjamin Katz, waarin hij op verschillende momenten en manieren te kennen geeft dat Miedl nooit enige druk op hem of zijn broer heeft uitgeoefend bij deze aankopen.

2. Linz-werken (verkopen aan Hans Posse)
Van 65 van de geclaimde werken is vast komen te staan dat deze in de oorlog bij of via Kunsthandel Katz werden aangekocht door de Duitse museumdirecteur Hans Posse. Deze aankopen stonden in het kader van het verzamelen van een collectie voor het door Adolf Hitler geplande Führermuseum te Linz. Posse en zijn medewerkers kochten in het eerste bezettingsjaar grote hoeveelheden schilderijen aan bij Kunsthandel Katz. Daarnaast werd van Nathan Katz verwacht dat hij de Nederlandse kunstmarkt af zou speuren naar werken die interessant konden zijn voor Hitlers kunstcollectie. Vanwege deze activiteiten werd de familie Katz tijdelijk beschermd tegen anti-joodse maatregelen.

Ook over de meeste werken uit deze categorie oordeelt de commissie dat de transacties niet voldoen aan het beleidscriterium voor onvrijwillig bezitsverlies. Hiervoor wijst de commissie op het uitgangspunt in het kunsthandelbeleid dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad tot doel heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop betreft. Dit kan ook het geval zijn als de kopende partij deel uitmaakte van het naziregime. Gezien de onderzoeksresultaten in de zaak Katz acht de commissie het aannemelijk dat bij de verkopen aan Posse marktconforme prijzen zijn ontvangen. Bij verkoop door een kunsthandel is volgens het beleid vereist dat sprake is van aanwijzingen die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van een dwangsituatie, zoals dreiging met represailles en toezeggingen tot het leveren van uitreisvisa als onderdeel van de transactie. Daarvan is, met uitzondering van één schilderij, geen sprake.

Toewijzing schilderij Man met hoge baret
Ten aanzien van één werk, het schilderij Man met hoge baret van Ferdinand Bol (NK 1668) adviseert de commissie toewijzend. Van dit werk staat de eigendom van Kunsthandel Katz vast. Het kunstwerk is eind november 1941 door Kunsthandel Katz verkocht aan Posse. Bij deze transactie is naar het oordeel van de commissie sprake van een dwangsituatie. In het vierde kwartaal van 1941 vond een wezenlijke verscherping van de anti-Joodse maatregelen plaats, en de bescherming van de familie dreigde op dat moment juist ten einde te lopen. Naar het oordeel van de commissie staat de verkoop van het schilderij van Bol in direct verband met vluchtpogingen van de familie Katz, aangezien Nathan Katz volledig afhankelijk was van de kopende partij Posse bij het verkrijgen van hulp voor de uitreis van hemzelf en van zijn familie.
De volgende omstandigheden zijn voor dit oordeel van doorslaggevend belang:
- er was een ultimatum gesteld door de medewerkers van Posse dat op 15 oktober 1941 zou aflopen, waarna de familie Katz volledig onder de in deze periode verscherpte anti-Joodse maatregelen zou vallen;
- de familie Katz was volledig afhankelijk van de welwillendheid van Posse voor het verkrijgen van uitreisvisa, een welwillendheid die afhing van de levering van schilderijen aan Posse;
- er ging een grote druk uit van de noodzaak om liquide middelen te creëren voor de uitreis en de toelating tot Zwitserland, waarvoor grote sommen geld nodig waren als borgstelling

Omdat de verkoop van het schilderij Man met hoge baret in het kader stond van pogingen om aan de nazivervolging te ontkomen en de verkoopsom niet ter vrije beschikking is gekomen van de broers Katz, wordt bij de restitutie van het kunstwerk afgezien van een verplichting tot terugbetaling van de destijds ontvangen tegenprestatie van 60.000 gulden.

3. Transacties met Göring

Van de kunstwerken uit de claim zijn in de oorlog 14 via Kunsthandel Katz terechtgekomen in de collectie van Rijksmaarschalk Hermann Göring.

Hieronder bevinden zich 5 schilderijen (categorie a en c uit het advies) die voornamelijk in de eerste maanden van de bezetting bij Kunsthandel Katz zijn gekocht door een inkoper van Göring. Er is niet gebleken dat dit onevenwichtige handelstransacties waren en ook andere aanwijzingen voor onvrijwillig bezitsverlies ontbreken. De commissie merkt de verkopen daarom aan als verkopen in het kader van de kunsthandel en adviseert de claim op deze werken af te wijzen. Daarnaast speelt dat de eigendom van de schilderijen onvoldoende aannemelijk is gemaakt.
In september 1940 zijn 4 andere werken (categorie b uit het advies) via Katz bij Göring terechtgekomen. Mogelijk zijn deze schilderijen persoonlijk aangekocht door Hermann Göring tijdens een door hem gebracht bezoek aan de kunsthandel. Ondanks deze mogelijke aanwijzing van dreiging die uitgaat van een bezoek van Göring zelf, is de commissie niet aan een beoordeling van dit punt toegekomen. Ook van deze werken is de eigendom onvoldoende aannemelijk geworden, waardoor de werken niet voor teruggave in aanmerking komen.
Ten slotte kwamen 5 schilderijen tijdens de oorlog via Kunsthandel Katz terecht in Görings kunstcollectie als gevolg van een ruil. Ook hier ontbreken aanwijzingen voor dwang zodat de commissie adviseert deze werken evenmin terug te geven.

4. Overige kunstwerken

Onder de geclaimde werken bevinden zich 9 kunstwerken die niet onder de voorgaande categorieën zijn in te delen. De werken komen niet voor teruggave in aanmerking, hetzij omdat ze verkocht zijn aan een Nederlandse kunsthandel zonder dat er aanwijzingen zijn van dwang (NK 2603, NK 2823 en NK 1815); hetzij omdat ze ten onrechte zijn aangemerkt als eigendom van Kunsthandel Katz (NK 2633, NK 3292), hetzij omdat zowel wat betreft de eigendom als wat betreft de onvrijwilligheid van het bezitsverlies er onvoldoende gegevens zijn gevonden (NK 2171, NK 2207, NK 2655, NK 2711).

Naoorlogse claim
Kort na de oorlog heeft de Kunsthandel Katz een verzoek ingediend voor de teruggave van ongeveer dertig schilderijen. Dit leidde tot overeenkomsten van minnelijk rechtsherstel die uiteindelijk neerkwamen op teruggave van deze schilderijen onder betaling van ongeveer een half miljoen gulden aan de Nederlandse Staat plus schenking van drie kunstwerken aan Nederlandse musea. Geen van de in 2007 geclaimde kunstwerken maakte deel uit van de toenmalige regeling.